De aarde, die we nu kennen als onze thuisplaneet heeft
een lange ontstaangeschiedenis achter de rug.
Waarschijnlijk is hij miljarden jaren geleden ontstaan
uit een nevel als bijproduct bij het ontstaan van de zon.
De aarde ontstond dan vanuit een clustering van
hete gassen,
die door afkoeling uiteindelijk een kern van vloeibare stoffen deed ontstaan.
Deze kern bond als gevolg van de ontstane grotere
zwaartekracht steeds meer gassen aan zich. Uiteindelijk was daar een gasvormige
gloeiende minizon, die in de loop der tijden verder afkoelde. Om de vloeibare kern
ontstond eerst een dunne laag van vaste stoffen, die naarmate de tijd vorderde
steeds dikker werd. Uit het binnenste van de aarde ontsnapten allerlei
gassen, die met elkaar de dampkring gingen vormen.
Processen tot de vorming van
leven.
In 1951 zetten Harold C .Urey en Stanley L. Miller een reeks befaamd
geworden laboratoriumproeven op, om te onderzoeken of energiebronnen die
aanwezig kunnen zijn geweest op de primitieve Aarde, zoals blikseminslagen,
schokgolven van meteoren, ultraviolette straling, warmte, de synthese van
organische stoffen uit de veronderstelde gassen van de oeratmosfeer op gang
kunnen hebben gebracht. Ze namen aan dat de oeratmosfeer zuurstofloos was en
grotendeels bestond uit waterstof, methaan, ammonia en water. Ze kozen voor
elektrische ontladingen als energie bron. Al na een week ontstonden er
aldehyde, vetzuren en aminozuren. Onder de laatste waren er vier die
essentieel zijn voor het leven. Andere mengsels van gassen, met
koolstofmonoxide, kooldioxyde en stikstof, waarvan men het later aannemelijk
achtte dat zij in de aardse oeratmosfeer voorkwamen, bleken net zo
produktief te zijn.
Ondanks al deze dappere pogingen is men er
echter tot op heden niet in geslaagd om in alle levenloze subtantie de echte
levensvonk te laten ontbranden. Het scheppen van leven (wat men daar dan ook
onder verstaat) is kennelijk toch wat moeilijker dan je zo simpelweg zou
denken. Mogelijk zal de mens er voorlopig zeker niet in zal slagen dat
huzarenstukje te bewerkstellingen. De essentiele kennis daartoe ontbreekt ons
kennelijk
simpelweg.
Op het gebied van het ontstaan van het leven op
aarde verschillen zo de meningen bij de diverse wetenschappers.
Binnen die groep hoogbegaafde mensen bestaan
er globaal 2 stromingen die ieder hun eigen standpunt innemen. Aan de ene
kant zijn daar de aanhangers van het creatonisme, die het leven zien als een
verlengstuk van een schepping door een hogere macht. Aan de andere kant zijn
er de aanhangers van het eatonisme, die het ontstaan van het leven meer zien
als een natuurlijk en logisch opvolgend proces, waarbinnen de evolutie een
heel belangrijke plaats inneemt.
De tijd zal het leren, welke van die 2
groeperingen het gelijk aan zijn zijde zal krijgen.
Wel kan op dit moment al gesteld worden, dat
de creatonisten in de loop der eeuwen al flink terrein hebben moeten
prijsgeven.
De stellingen zijn nu grotendeels ingenomen op
het nivo van de oerknal en de problematiek over de mogelijkheid of juist
onmogelijkheid tot het gefaseerd ontstaan van eencellige levende structuren
zonder of juiste met behulp van een hogere macht.
Deze eerst hete gassen koelden af en vielen
uiteindelijk in vloeibare vorm terug op aarde tot ze uiteindelijk de aarde
bedekten met uitgestrekte
oceanen. Boven deze oceanen torende in die situatie
een vasteland. Dat was een grotendeels aaneengesloten vasteland, dat pas later
uiteen zou vallen in de diverse continenten. Dat land noemen we nu het "Pangea"
(Overigens is dit maar
één van de vele
theorieën
die over de ontstaangeschiedenis van de aarde de rondgang doen. Desgewenst kunt
u een andere voorgeschiedenis bedenken).
Het eerste leven op aarde ontstond waarschijnlijk zo'n
3,5 miljard jaar geleden in de oceanen.
Dat eerste leven begon uiteraard heel voorzichtig met
eencellige organismen. Pas na miljoenen jaren ontstonden er vanuit dit eencellige
leven meercellige structuren, die naarmate de tijd vorderde steeds ingewikkelder
vormen ging aannemen. Uiteindelijk ontstonden er een soort vormen, die we nu (week)dieren zouden noemen. Naast de
dierlijke vormen, waren er echter ook vormen die meer weg hadden van de huidige
planten.
Uiteindelijk slaagde het "leven" erin om vanuit de
oceanen het land te gaan bevolken. Er ontstond heel voorzichtig eerst een soort
beplanting, die
het de (week)dieren om hun beurt weer mogelijk maakten
zich op het land te gaan vestigen. Er ontstonden dieren die zowel op het land
als in het water konden leven. Deze vorm noemt men de amfibieën.
Wat is
leven?
De weg van organische molecule tot leven is lang. Men moet zich dus afvragen
wat leven eigenlijk is. Wat is het verschil tussen leven en niet-leven? De
wetenschap is er nog niet uit. Tot nu toe geeft geen enkele definitie
volledige voldoening. Elke poging om de kenmerken van leven te definiëren
sluit bepaalde vormen van leven uit of omvat omgekeerd bepaalde levenloze
objecten. Bij het zoeken naar een geschikte definitie van leven is er echter
één kenmerk waar iedereen het over eens lijkt te zijn: alle leven heeft
energie nodig om zijn metabolisme in stand te houden.
Zo maken planten bijvoorbeeld
gebruik van zonlicht, terwijl dieren energie halen uit organische moleculen
in hun voedsel. Dit gebeurt niet alleen bij deze hogere organismen maar ook
bij microben, de meest eenvoudige vorm van leven op de aarde. Microben zijn
organismen die uit één cel bestaan en die hun levensenergie halen uit een
duizelingwekkende reeks van anorganische scheikundige reacties. Deze
scheikundige metabolismen zijn zo verschillend van die bij planten en dieren
op de aarde dat astrobiologen zich afvragen of leven niet zou kunnen
ontstaan op elke plaats waar een rijk netwerk van chemische reacties kan
onderhouden worden,
Uit deze amfibieën kwamen later de reptielen voort en
daaruit weer de, zoogdieren en vogels.
Hoe zit het dan verder met de
microben, algen, virussen, mossen, weekdieren en insecten etc. zult u zich afvragen. Wat dat betreft bestaat er in de wetenschap
geen duidelijk bewijs hoe de ontwikkeling vanuit de oceanen naar het land
heeft plaatsgevonden. Dat het gebeurde is echter vrijwel zeker. De simpele
regels hieronder laten er iets van zien.
Devoon Periode vanaf 408 tot 360 miljoen jaar geleden.
Kwastvinnige vissen en de eerste haaien ontstaan. Ook onstonden de eerste
amfibieën, insekten en
ammonieten. De vissen
verlieten het water. Dit was ook de tijd van de kreeftachtigen. Vrij
algemeen wordt aangenomen dat deze groep dieren, die een grote diversiteit
vertoonde in vorm en afmeting, als eerste het water verlieten. Grote
verscheidenheid aan ongewervelde dieren en vissen. De landplanten
ontwikkelen bladeren.
Persoonlijk houdt ik het er
maar op, dat vanuit de in de oceanen al aanwezige kril en andere kleine diersoorten
zoals de weekdieren er een
aantal waren, die de stap naar het land konden maken. Aannemelijk lijkt het
te veronderstellen, dat de nog kleinere organismen al eerder de overgang
naar het land hadden gemaakt. In feite zal het zo zijn geweest, dat in
waterrijke gebieden op het vasteland het leven haar sporen al dik had
verdiend voordat de grotere dieren de overstap maakten.
Voor deze dieren was het bedje
dan al voor een deel gespreid. De evolutie heeft vervolgens haar sporen in de
talloze nazaten achter gelaten. Immers als
er een succes van het leven op te merken zou zijn, dan kun je die wel bij de
kleinere organismen vinden. De aantallen soorten nu zijn gigantisch. Datzelfde geldt
voor de aantallen per soort. Als er betere gedachten hierover zijn, dan
verneem ik die graag.
Grofweg is het Cenozoïcum het tijdperk
van de zoogdieren.
Nadat de dinosaurussen uitstierven namen zij de macht op aarde over. Maar
voor de oorsprong van de zoogdieren moeten we nog veel verder terug.
In het vroeg Carboon leefde de allervroegste voorouder van de zoogdieren.
Dit was echter nog veel meer een reptiel dan een zoogdier. In het midden
Perm onstonden de Cynodonten, half-reptiel half-zoogdier. En de echte
zoogdieren ontstonden in het laat Trias.
Het Paleozoïcum (Het oude tijdperk.)
(Binnen het Paleozoïcum waren een aantal tijdperken, ik begin nu met het
Carboon omdat daar de geschiedenis van de zoogdieren begint, in feite ging
hier nog een hele tijd aan vooraf na het begin van het leven.)
Het Carboon (het steenkooltijdperk) 350 tot 280 miljoen jaar
geleden.
In het vroeg carboon leefden er een familie reptielen, namelijk de familie
der Synapsiden. Uit deze familie ontstonden verschillende onderfamilies: de
Eothyrididen, de Varanopsiden, de Ophiacodontiden, de Edaphosauriden en de
Sphenacodontiden. Uit die laatste groep, waar ook bijvoorbeeld Dimetrodon
toe behoorde, ontwikkelden zich in het laat-Carboon de Dicynodonten. Dit
waren allemaal nog reptielen. Uit de Dicynodonten echter, ontwikkelden zich
de Cynodonten, en daarmee komen we al erg dicht bij de zoogdieren.
Het Perm (Genoemd naar een provincie in Rusland) 280 tot
240 miljoen jaar geleden.
In het begin van het Perm waren de oude familie van de Sphenacodontiden nog
aan de macht, maar tegen het einde werden de Dicynodonten enorm succesvol,
samen met enkele naaste families als de Gorgonopsiërs, de Therocephaliërs en
de Cynodonten. De Dicynodonten waren de echte "zoogdierachtige reptielen",
het waren de belangrijkste soort dieren tijdens het laat-Perm. Het waren
meestal zware, logge beesten. Ze werden bejaagd door de Archosauriërs, dat
waren reptielen die al lang geleden zich hadden afgesplitst. Ze waren
familie van de reptielen die in het Mesozoïcum zouden heersen.
Tegen het eind van het Perm gebeurde er iets ongeloofelijks, de moeder aller
uitroeiingen. Een gigantische uitsterving waarbij 95% van al het leven op
aarde werd vernietigd. Hierbij vergeleken waren het uitsterven van de
dinosaurussen, of de klimaatschaos aan het einde van het Eoceen maar
incidentjes. De geleerden staan voor een raadsel, al
wordt aangenomen dat het uitsterven werdt veroorzaakt door wereldwijd
zuurstofgebrek. Zowel op het land als in zee.
De alleroudste mensachtige zoogdieren, waaruit de
tegenwoordige mens zich heeft ontwikkeld verschenen miljoenen jaren
geleden.
De eerste mensachtigen dateert men nu terug tot
ongeveer 7,5 tot 5 miljoen jaar geleden.
Op die 3,5 miljard jaar ontwikkeling van het leven
ontstaat de mens als het ware op het laatste moment!
Deze aanzet is een wel erg globale schets van de
gebeurtenissen op aarde in pak weg 5 miljard jaar.
Deze globale aanzet verdient een wat bredere
aanloop, die hieronder verder gaat.
Om de zaak voor mezelf nog wat duidelijker te maken
ben ik ook nog maar eens gedoken in de redenen van de diversiteit van het
voorkomende leven.
Dan komen we op terreinen als evolutie. Wat is dat
eigenlijk evolutie?
Wat is evolutie?
Mutaties en
evolutie
De basis van het
hele evolutieproces is het ontstaan van genetische variatie, ofwel mutaties
in het erfelijke materiaal. Er vindt selectie plaats op deze variatie;
veranderingen in het DNA zijn meestal of nadelig of voordelig voor de
eigenaar ervan, vergeleken met de oorspronkelijke informatie. Hoewel er
uitgebreide controlemechanismen zijn ingebouwd, worden er tijdens het DNA
replicatieproces voorafgaande aan de celdeling wel eens fouten gemaakt. Ook
kan het gebeuren dat DNA-schade, opgelopen door bepaalde mutagene stoffen of
straling (bijvoorbeeld u.v. licht), niet op de juiste manier wordt hersteld,
dat wil zeggen dat het herstel niet leidt tot de oorspronkelijke situatie.
Tegenover een nucleotide C kan bijvoorbeeld, in plaats van de correcte G,
wel eens een T in het DNA ingebouwd worden. Daardoor kan de code voor het
aminozuur op de corresponderende positie in het eiwit veranderen. Het eiwit
dat met behulp van dit veranderde gen aangemaakt wordt zal
hoogstwaarschijnlijk andere eigenschappen hebben, mogelijk zelfs helemaal
niet meer functioneren. Een totaal veronachtzaamd aspect van de levende
natuur om ons heen is dat de informatie in het DNA aan degeneratie
onderhevig is, waardoor soorten en ook mensen degenereren en er genen
verdwijnen in plaats van dat er geheel nieuwe bijkomen.
Genenverlies
levert nieuwe variatie op
Een aspect van biologische verandering en het effect van mutaties dat
onvoldoende beseft wordt, is dat het verlies van een functioneel gen
nieuwe variatie op kan leveren. Een enkele mutatie kan een gen
compleet uitschakelen. Het verliest daarmee zijn funktie en veroorzaakt een
bepaald uiterlijk 'effect'. Een duidelijk voorbeeld is albinisme. Het gen
dat pigment aanmaakt is daarbij disfunctioneel geraakt. Maar het kan ook
subtieler. Bij veel pooldieren is het gen dat pigment in de vacht
aanmaakt buiten werking geraakt. Dat is geen albinisme, omdat daarbij rode
ogen optreden. Een foto van de pinguins laat zien hoe zo'n mutatie zomaar op
kan treden in een willekeurige populatie.
Als zo’n
verandering in de geslachtscellen van een organisme plaatsvindt kan deze
vervolgens overgedragen worden op de nakomelingen van dit organisme en dus
aanwezig blijven in een populatie en zelfs algemeen worden als de
verandering positieve effecten heeft.
Dit is niet het
enige type verandering dat kan plaatsvinden. Ook kunnen er nucleotiden te
veel of te weinig worden ingebouwd, en die kunnen een verandering van
leesframe tot gevolg hebben.
Tenslotte kunnen
er hele stukken van het DNA van een paar nucleotiden tot vele
duizenden-verplaatst worden, verdwijnen of verdubbeld worden. Al deze
veranderingsprocessen zijn min of meer willekeurig en komen in elke levende
cel voor.
Als een mutatie
is ontstaan, kan het effect hiervan schadelijk, neutraal of gunstig zijn
voor de overlevingskansen en /of het reproductiesucces van het
desbetreffende organisme. Elk organisme concurreert met andere organismen om
voedsel en –in het geval van de hogere organismen- een voortplantingspartner.
Een organisme met een mutatie die zijn concurrentiepositie om voedsel en
voortplanting minder sterk maakt, zal een kleinere kans hebben om zijn
erfelijke informatie op de volgende generatie over te dragen dan een
niet-gemuteerde soortgenoot.
Bij lagere
organismen zijn veelal andere mechanismen aanwezig voor de uitwisseling van
genetische informatie, zelfs tussen verschillende soorten. Een voorbeeld
hiervan is de nachtvlinder;
In Engeland kwam
in de vorige eeuw een soort nachtvlinder voor, die zich gedurende de dag
verschool op de schors van een boom. Deze vlinder had een geschikte
schutkleur van de boom, die ook licht was door de daarop groeiende
korstmossen. Hij was dus zeer goed aangepast om te overleven in de omgeving
waarin hij voorkwam. Nadat de industriele revolutie op gang kwam, volgde de
luchtvervuiling met gelijke tred. Het gevolg was dat de bomen een donkerder
kleur kregen. De lichtgekleurde nachtvlinder begon op te vallen tegen de
donkere achtergrond van de bomen en werd een makkelijke prooi voor de vijand.
Door een mutatie ontstond er in deze zelfde periode ook een mutant van de
mot die een donkere vleugelkleur had. Omdat deze mutante mot veel minder
opviel tegen de nu donkere achtergrond van de bomen, had deze een grotere
overlevingskans dan zijn lichtere soortgenoten en het gevolg daarvan was dat
hij een grotere kans had zich voort te planten.
Dit voorbeeld
noemt men industrieel melanisme.
Dit zijn de donkere en de lichte vorm van de
nachtvlinder Biston betularia
In dit verhaal schijnt een beetje door, dat evolutie grotendeels op levende
organismen werkt. We komen dan op het terrein van de functies van het DNA en
zelfs het RNA. Evolutieprocessen doen zich echter ook voor bij niet levende
organismen. Denk daarbij aan de wijzigingen op aarde door natuurkundige
oorzaken, Een vulkaanuitbarsting zal zijn omgeving drastisch veranderen. Een
storm kan maken, dat wat eens land was, daarna tot water zal zijn omgetoverd.
Zo kun je wel eindeloos doorgaan. Het komt er dus ook op neer, dat de aarde
eindeloos evolueert en dat het leven erop steeds mee evolueert.
Levende organismen zullen dan steeds de beste mogelijke oplossingen vinden
om in de gewijzigde situatie voort te kunnen bestaan. Lukt ze dat niet, dan
zijn ze wellicht ten dode opgeschreven.
Een ander aspect van de evolutie is het
gegeven van de biodiversiteit. Waarom heeft het leven op een zo'n
gigantische wijze in levende organismen verbreid, zo kun je je afvragen.
Een mogelijke reden zou de evolutie kunnen
zijn. Biodiversiteit is dan een logisch produkt van de evolutie.
Immers het leven heeft een eindeloze drang
te evolueren al naar gelang de omstandigheden, die zich op een bepaalde
plaats en tijdstip voordoen. Evolutie leidt dan altijd naar een ongeremde
biodiversiteit tenzij je daar als mens op in grijpt.
Wetenschappers hebben de geschiedenis van onze planeet
in geologische tijdvakken verdeeld. Een groot aantal tijdvakken is op hun beurt
weer
ondergebracht in zogenaamde hoofdafdelingen. Die
indeling ziet er globaal zo uit:
Deze lijst is
rechtstreeks afkomstig van en doorverbonden naar Wikipedia de vrije Encyclopdie.
Daar kunt u ook nog meer informatie verkrijgen.
Een tak van de wetenschap, die
sterk aan het geologische werk verwant is, is de paleotologie. Het is een
wetenschap, die zich bezighoudt met de oude levensvormen, die zich op aarde
voordeden. Het gaat dan om de bestudering van dieren en planten, die inmiddels
veelal zijn uitgestorven.
Om die dieren te bestuderen kan
een paleontoloog dus niet even naar een dierentuin of naar het bos gaan om zijn
waarnemingen te doen.
Toch kan een paleontoloog zijn
werk doen en wel door bestudering van versteende resten van planten en dieren.
We noemen die versteende resten "fossielen".
Fossielen van planten en dieren
werden gevormd, doordat de cellen van dode organismen zich onder bijzondere
omstandigheden vulden met mineralen en daarna verhardden. Onder fossielen worden
ook afdrukken verstaan, die levende organismen hebben achtergelaten in
aanvankelijk weke aardlagen, die nadien
zijn samengeperst en vervolgens
verhard. Hieronder ziet u wat voorbeelden van fossielen.
De geologie en de paleontologie
zijn twee wetenschappen, die elkaar aanvullen. De geoloog weet, dat bepaalde
dieren en planten in bepaalde tijdvakken leefden.
Wanneer hij fossielen aantreft in
een bodem die hij onderzoekt, dan helpen deze hem bij het dateren van de
bodemlaag, waarin de fossielen werden aangetroffen. De bepaling van de ouderdom
van een aardlaag kan echter ook gebeuren met andere middelen. Een
koolstofdateringssysteem is er een van.
Als een paleontoloog in dezelfde
bodem een fossiel vindt. dan kunnen de bevindingen van de geoloog hem helpen bij
de datering van het fossiel.
Het bovenaangehaalde schema wordt dan
ook door beide richtingen in de wetenschap gehanteerd.
De namen van de tijdvakken zijn
deels vernoemd naar bepaalde soorten bodemlagen, die zich in de tijdvakken
gevormd hebben.
In het tijdvak dat met Carboon
wordt aangeduid, hebben zich namelijk grote steenkoollagen gevormd uit de
plantaardige resten van de grote tropische wouden.
Andere tijdvakken zijn genoemd
naar gebieden of gebergten, die zijn opgebouwd uit grondlagen, die
karakteristiek zijn voor het tijdvak, waarin ze zijn ontstaan.
Zo heet de Jura naar het Europese
Jura gebergte en het Devoon naar het graafschap Devon in Zuid-Engeland.
Tijdens het tijdperk, dat men het
Precambrium noemt, is naar men aanneemt de oervorm van het leven in de oceanen
ontstaan. De dampkring van de aarde bestond toen uit heel andere gassen, dan nu
het geval is. Ook moeten voortdurend enorme electrische ontladingen in die oerdampkring hebben plaatsgevonden. Door deze ontladingen (bliksems) zou er in de
dampkring een stof zijn gevormd, die men nu aminozuur noemt. Dit aminozuur
vormde mede bouwstenen voor alle levende organismen. Door neerslag kwam dit
aminozuur aanvankelijk in geringe mate, maar later steeds meer in de oceanen
terecht.
Naarmate de hoeveelheid toenam
namen ook de kansen voor het ontstaan van levende organismen toe. Vooral in de
kustgebieden van het oerland, waar de aminozuren zich vermengden met bezinksels
vanuit het vasteland werden de concentraties groter. Waarschijnlijk heeft ook
klei in dit proces een belangrijke rol gespeeld vanwege zijn hoge absorbtie
vermogen. Toen de concentraties aminozuren in de bezinksels hoog genoeg waren,
hebben zich onder bijzondere omstandigheden andere basisstoffen zoals eiwitten
gevormd. Het uiteindelijke resultaat was het ontstaan van levende organismen.
Dat waren geen bijzonder
ingewikkelde organismen. Nee,
waarschijnlijk moet je bij dat prille begin van het leven denken aan eencelligen,
zoals het huidige blauwalgje.
Het was echter een begin. Deze
organismen moeten waarschijnlijk als oudste vorm van leven op aarde worden
beschouwd.
Van de levensvormen uit het
Precambrium zijn geen fossielen bekend. Dat kwam ook al door de bijzondere
omstandigheden in die periode. De aarde was immers nog maar in het begin van
zijn ontwikkeling. De aardkorst was voortdurend in beweging en vulkanische
uitbarstingen waren aan de orde van de dag.
De regen viel met bakken uit de
hemel en er begon zich ijs te vormen. Door al dit natuurgeweld gingen vrijwel
alle sporen van leven voor ons verloren.
Dank zij de gevonden fossielen
weten we van het volgende tijdperken veel meer. Vanaf het
Paleoproterozoïcum moet zich een ware explosie
van levensvormen hebben voorgedaan. Dit was vooreerst te danken aan het klimaat
in die tijdperken. Op het noordelijk halfrond bleef de weersgesteldheid lange
tijd betrekkelijk evenwichtig. Het klimaat was vermoedelijk vochtig en tropisch.
Op het zuidelijk halfrond was het veel kouder.
De paleontologen onderscheiden twee
zeer belangrijke gebeurtenissen in het
Paleoproterozoïcum. De eerste was het feit, dat
plantaardig en dierlijk leven bezit begon te nemen van het land. De tweede
gebeurtenis was het verschijnen van de gewervelde dieren.
We kunnen ons er nu een redelijke
voorstelling van maken hoe de eerste planten op het land gingen leven. In de
kustgebieden van de zee leefden talrijke wierachtige planten en algen. In de
strijd om het bestaan zochten de bestaande zeedieren steeds dichter onder de
kust naar voedsel. Dat voedsel bevond zich
voornamelijk in het gruis, zand en
de klei, die van het vasteland de oceanen instroomde. Bij eb vanwege de getijden
werking kwamen de primitieve zeeplanten droog te staan, zij het voor korte tijd.
Om deze korte periode te kunnen doorstaan, moesten sommige soorten algen en
wierachtigen zich aanpassen.
Die aanpassing gebeurde zo
succesvol, dat sommige soorten niet langer het zoute water nodig hadden om voort
te kunnen bestaan. Ze pasten zich vervolgens aan tot een leven in zoet water.
Omdat deze zoetwaterpoelen vaak uitdroogden ontwikkelden ze uiteindelijk het
vermogen om op het land te leven en met een soort wortels het water uit de bodem
op te nemen. Uit deze eerste primitieve algen en wierachtigen ontwikkelde zich
in de volgende tijdvakken het gigantische rijk van de landplanten. De
verspreiding van de planten over het land had tot gevolg, dat de dampkring met
zuurstof werd verrijkt.
Dit voor de aarde vrij nieuwe gas
werd door een deel van de planten afgegeven als restprodukt van hun
energievoorziening. Zo ontstond geleidelijk aan een dampkring op het vasteland,
waarin ook zuurstofminnende dieren konden leven. De eerste dieren, die van het leven op
het land gebruik gingen maken, waren schorpioenen, duizendpoten, insekten en
sommige weekdieren. Deze zeer geleidelijke wijziging in de samenstelling van de
atmosfeer had echter ook tot gevolg, dat dit het einde betekende voor grote
massa's dieren waarvoor zuurstof in feite een giftig gas was.
In de oceanen hadden zich
inmiddels gewervelde dieren ontwikkeld. Het waren visachtige dieren, die de
benodigde zuurstof aan het water onttrokken met behulp van een soort kieuwen. In
de kustgebieden voltrok zich opnieuw een overgangsfase van water naar land.
Sommige soorten visachtigen, die in de moerasachtige wateren van de kustgebieden
leefden, ontwikkelden het vermogen zuurstof te ontrekken aan de atmosfeer met
behulp van een soort longen.
Tegenwoordig bestaan er nog
longvissen. Ze leven in de modder van kustgebieden. Bij gebrek van zwemwater
gebruiken deze dieren hun vinnen om door de
modder en soms op het land voort
te bewegen. Zo ook zijn bij de vinnen van een aantal visachtigen in het verleden
vergroeid tot poten. Zo ontstonden de
amfibieen. Dat zijn dieren, die
zowel in als buiten het water kunnen leven.
Salamanders en kikkers zijn daar
nog de huidige voorbeelden van. Ze kunnen behoorlijk lang op land vertoeven,
maar moeten toch regelmatig het water in om
uitdroging te voorkomen. Tijdens
het
Paleoproterozoïcum waren er amfibieën die het
water tenslotte vaarwel zegden. Dat waren soorten, die een niet uitdrogende huid
hadden ontwikkeld en vaak ook sterke poten ter beschikking hadden om zich op het
land snel te kunnen bewegen.
Hiermee namen de gewervelde dieren
voorgoed bezit van het land.
Uit deze amfibieen kwamen later de
reptielen voort en nog later de vogels en de zoogdieren.
Al deze evolutinaire processen
voltrokken zich grotendeels in het Paleozoïcum.
Tegen het einde van dit tijdvak
(het Perm tijdvak) was het aantal soorten reptielen zeer talrijk geworden. Ze
voedden zich met planten, die overal weelderig groeiden. Daarnaast ontstonden er
reptielen, die geen planten aten, maar juist dierlijke organismen op het
hoofdmenu hadden. Deze soorten voedden zich
met kleinere soorten reptielen en
de nog talrijk voorkomende amfibieen. Dit had tot gevolg dat de amfibieen
vrijwel geheel door de reptielen verdrongen werden. Vaak zochten de reptielen
hun voedsel in het water of maakten dit tot hun vaste leefgebied. De nu nog
levende krokodil is een voorbeeld van een reptiel, dat van landdier opnieuw
waterdier is geworden. De reptielen van dat moment kunnen gerust de heersers van
het Mesozoïcum
worden genoemd.
Ze hadden geen andere natuurlijke
vijanden dan hun grotere familieleden en ontwikkelden zich mede daardoor tot
gigantische monsters. In het eerste tijdvak van het Mesozoïcum
het zogenaamde Trias beheersten de reuzenreptielen vooral de zeeën. Tijdens het Jura tijdperk kwamen ze steeds meer
op land voor.
Tijdens het laatste tijdvak van
het Mesozoïcum
het Krijt waren de reuzenreptielen de schrik van het land. Er waren veel
vleeseters bij, die niet alleen jacht maakten op kleinere soorten, maar ook
vooral op elkaar.
Waarom werden sommige
reptielen zo groot?
Daarover bestaan verschillende
meningen. De meest waarschijnlijke oorzaken zijn het gebrek aan natuurlijke
vijanden en
de aanwezigheid van een
overmaat aan kooldioxide in de atmosfeer in de tijd van de monsters,
waardoor er een overmaat aan
voedsel aanwezig was. Wellicht
heeft de spijsvertering ook hierbij een rol gespeeld. Sommige plantenetende
reptielsoorten
hadden een bijzonder lang
darmstelsel nodig om een goede vertering tot stand te kunnen brengen.
Sommige soorten reptielen
ontwikkelden tijdens het Mesozoïcum
het vermogen om van boom naar boom te zweven. Dat deden ze met eerder door
mutaties ontstane vliezen tussen de tenen en poten. Daarmee wisten ze te
ontkomen aan de vleesetende reptielen. Uiteindelijk ontstonden er ook reptielen,
die echt konden vliegen. Deze soorten konden gebruikmakend van luchttermieken
zich over grote afstanden verplaatsen.
Uit deze soorten reptielen vormden
zich later de huidige vogels.
Stammen de vogels af van de
reptielen?
Waarschijnlijk kan deze vraag
bevestigend worden beantwoord. In China zijn tot op heden diverse vondsten
gedaan van
reptielen uit het dinotijdperk,
die ten dele of vaak zelfs helemaal van veren zijn voorzien.
Daarmee lijkt het bewijs
grotendeels te zijn geleverd.
Hieronder ziet u een deel van
een op internet verschenen artikel.
In het januarinummer van het
wetenschappelijk tijdschrift Nature maken wetenscappers een wel heel
opmerkelijke dinosaurus bekend. Het is een nieuw species van een al in 2000
beschreven zeer vogelachtige dinosaurus. Het is een dromaeosauride
dinosaurus van zo'n 77 cm lengte met modern ogende vleugels aan zijn armen
maar òòk aan zijn benen. Het is het enige tot nu toe bekende dier,
uitgestorven of nog levend, met vier vleugels met veren. Volgens een van de
wetenschappers was dit
een zwevende dinosaurus die niet actief met zijn vleugels fladderde maar er
zijn paleontologen die denken dat Microraptor er wel toe in staat is geweest.
De vleugels ogen modern en bestaan uit zo'n 12 primaire veren en 18
secondaire veren. Er zijn veren bij van meer dan 22 cm lengte. Het lichaam
was bedekt met donsveren van 2.5 tot 3.5 cm lengte. Microraptor kon zijn
achterpoten naar de zijkant spreiden, iets dat andere dinosaurussen niet
kunnen. Die hebben een dijbeenkop dat ervoor zorgt dat de benen recht onder
het lichaam wordt gehouden. Microraptor gui heeft een aangepaste dijbeenkop
die spreiding van de benen wel mogelijk maakt. Met gespreide benen zweeft
Microraptor door het luchtruim maar de veren konden waarschijnlijk wel op
een of andere manier worden opgevouwen anders zou het lopen op de grond of
klimmen in de bomen wel erg moeilijk worden. Hoewel het volgens Xu een
zwever is geweest had Microraptor modern ogende vleugels. Zo bezit hij
asymmetrische veren, een aanwijzing voor de vliegcapaciteiten, samen
trouwens met symmetrische veren.
De wetenschapper neemt aan dat vogels via een glijfase het luchtruim hebben gekozen en
ziet in Microraptor hiervoor het bewijs. Toch is de eerste echte vogel,
Archaeopteryx zo'n 25 miljoen jaar ouder! Hier lopen de meningen van de
geleerden dan ook over uiteen. Het kan zelfs zijn dat Microraptor een dood
spoor in de evolutie is geweest.
Er zijn 2 complete skeletten gevonden met veerafdrukken in de Chayang
provincie van West Liaoing.
De vondst zelf dateert terug
naar het vroege Krijt en wordt gedateerd op ongeveer 110 miljoen jaar oud.
Alle reptielen uit het Mesozoïcum
plantten zich voort middels het leggen van eieren. Dit had weer tot gevolg, dat
sommige soorten reptielen zich ontwikkelden
tot eierjagers. Enkele soorten
reptielen wapenden zich hiertegen door niet langer eieren, maar levende jongen
ter wereld te brengen. Daaronder waren er weer soorten, die klieren ontwikkelden
om hun jongen te voeden. Zo ontstonden de eerste zij het zeer primitieve
zoogdieren, die het wel wisten vol te houden tegen de woeste verscheurende
monsters, maar die tijdens het Mesozoïcum
een zeer ondergeschikte rol speelden.
Pas in het Cenozoïcum
toen de reptielen hun overheersende rol verloren, zouden de zoogdieren hun kans
krijgen en deze ook nemen.
Hierna dan een beschrijving van
een deel van de eerst deels en later alom voorkomende reptielen.
Men denkt nu, dat er in de
bloeiperiode duizenden verschillende soorten voorkwamen!
*Allosaurus
Dit was een vleesetende
soort, die wat leek op een verkleinde uitgave van de Tyranosaurus. Hij werd
ongeveer 9 meter lang.
*Ankylosaurus
Deze soort had een
bijzonder harde schubbenhuid, waardoor hij het best met een pantserwagen
vergeleken kan worden.
*Archelon
Dit was een reusachtige
zeeschildpad, die wel 8 meter lang kon worden. Op aarde leven nu nog de nazaten
van deze reus, zij is het wat kleinere vorm.
*Archaeopteryx
Skeletdelen van deze soort
werden in Duitsland gevonden. Bijzonder was, dat het gaat om een reptiel met in
principe capaciteiten om te vliegen.
Gezien de latere vondsten
in dezelfde aardlagen en op andere plaatsen is de Archaeopteryx echter niet de
allereerste gegadigde om door te kunnen gaan als
de voorouder van de vogels.
Mogelijk heeft hij hier wel een betekenis in gehad.
*Brachauchenius
Deze soort leek wat op een
flinke schildpad met een lange snavelachtige bek en dan zonder schild.
*Brachiosaurus
Dit was een reusachtig
monster, dat voornamelijk in meren en plassen leefde. Door op de bodem te lopen
kon hij zijn kop met behulp van zijn lange nek nog
boven water houden, als dit
wel 12 meter diep was. Hij werd zo'n 25 meter lang en woog vaak meer dan 40 ton!
*Brontosaurus
Deze soort leefde ook
vooral in het water. Per dag at hij wel 300 kilo plantaardig voedsel om in leven
te blijven. Het dier werd ongeveer 20 meter lang en woog
ongeveer 30 ton.
*Diplodocus
Dit was een van de
allergrootste reptielen die ooit op het vasteland van de aarde heeft geleefd.
Hij kon ruim 30 meter lang worden bij een gewicht van ruim
30.000 kilo! Hij was zijn
hele leven aan het eten om het lichaam in stand te houden. Dat eten bestond
voornamelijk uit varenblad. per dag verorberde een
volwassen dier wel 1000
kilo aan voedsel. Dat kwam er met het nodige geraas na de spijsvertering ook
weer uit!
*Eoraptor
Bij toeval is deze soort
gevonden in de Vallei van de Maan in Argentinië. Zijn naam betekent 'dief van de
dageraad', omdat deze kleine carnivoor leefde aan
de dageraad van de
heerschappij van de dinosauriërs. Hij was zo groot als een grote hond en voedde
zich waarschijnlijk met kleine reptielen.
*Efraasia
De Efraasia is gedoopt met
de naam van de geleerde die hem aan het begin van de 20e eeuw heeft gevonden: E.
Fraas. Onlangs is besloten deze naam los te
laten en de fossielen toe
te schrijven aan de soort Sellosaurus.
*Elasmosaurus
Dit was het grootste
waterreptiel met zijn 15 meter lengte. Het dier had een enorm lange nek.
*Mussaurus
Eind jaren 70 werden de
fossielen gevonden in Patagonië. Het betrof een nest met bijna complete
skeletten en twee kleine eieren. Het best bewaarde skelet is
zo klein (ongeveer 25
centimeter lang) waarvan een groot deel staart, dat het gemakkelijk in een
handpalm past
*Hesperornis
Dit was een soort
vleugelloze vogel van ongeveer 1,80 meter lengte. Het had tanden in de snavel.
*Ichtyosaurus
Dit reptiel leek sprekend
op de huidige haaien. Het dier was zeer snel en behendig in het water en sprong
geregeld boven water om naar adem te happen.
*Iguanodon
Ook dit dier leek wat op de
Tyranosaurus. Het liep voornamelijk op de reusachtige achterpoten. Het was
echter een planteneter.
*Mosasaurus
Dit was een bloeddorstige
jager, die wat leek op een kruising tussen een reusachtige paling en een
krokodil.
*Pteranodon
Dit was een vliegend
reptiel met een vleugelwijdte van wel 8 meter. Dit was als het ware de oervader
van de huidige vogels.
Mogelijk is deze
reptielsoort warmbloedig geweest.
*Stegosaurus
Dit was een plantenetend
reptiel, dat ongeveer 6 meter lang werd. Hij zal ongeveer 10 ton hebben gewogen.
*Trachodon
Dit was een ongeveer 12
meter lange planteneter. Hij leek veel op de Iguanodon, maar de vom van de kop
leek nog meer op die van een vogel. In het
bijzonder op die van een
eend. Daarentegen had het wel 2000 tanden in de kaken.
*Triceratops
Dit was een monster van pak
weg 8 meter lengte met daarbij een gewicht van 7 tot 8 ton. Hij had een benige
kraag rond de kop en bovenop de kop twee
hoorn en ook nog een op de
neus. Gezien zijn uiterlijk moet het een geduschte vechtjas zijn geweest.
*Tyranosaurus
Dit was een grote
angstaanjagende vleeseter. Hij kon wel 17 meter lang worden. Ook de tanden waren
enorm groot en lang.
*Velociraptor
Dit was een echt jager, die
vaak in groepen op jacht naar prooi ging. Uiteraard hebben we het dan over een
vleeseter.
De monsterlijke reptielen die we nu Sauriërs noemen, verschenen ongeveer 160
miljoen jaren geleden op aarde.
Ongeveer 90 miljoen jaren geleden verdwenen ze weer vrij snel van het toneel.
De vraag rijst, hoe het mogelijk was, dat een
diersoort, die miljoenen jaren de aarde had overheerst, zo snel weer
grotendeels verdween.
De wetenschap heeft natuurlijk naar verklaringen gezocht. Naar men nu
aanneemt, zijn de Juras- en Krijt tijdvakken, waarin
deze dieren leefden naar verhouding vrij rustige periodes geweest. Er zijn
in die tijdvakken weinig grote klimaatveranderingen
geweest. Het was toen tropisch warm, er was een overvloed aan water en
daardoor was er ook een overmaat aan voedsel aanwezig, waarmee deze over het
algemeen grote dieren zich konden voeden. De plantenetende reptielen konden
zich daardoor
relatief onbelemmerd in grote aantallen voortplanten. In hun spoor volgden
de vleestetende reptielen.
De meeste reptielen en dan vooral de plantenetende soorten waren naar men
aanneemt koudbloedig. In het tropische klimaat
konden deze dieren zich vrij gemakkelijk handhaven. Aan het einde van het
Krijttijdvak daalde de temperatuur op aarde vrij snel. Als voornaamste reden
wordt hierbij gedacht aan een inslag op aarde van een grote meteoriet.
Naar in 1991 uit geologische onderzoekingen
duidelijk is geworden, kwam 65 miljoen jaar geleden een planetoïde neer
met een doorsnede van zo'n 10 km. Dat gebeurde ter hoogte van het
huidige vissersplaatstje Chicxulub in Yucatan (Mexico). Op seismische
profielen is daar op zo'n kilometer diepte in de ondergrond een 180 km
grote krater te vinden. De explosie die zich bij de inslag voordeed had
een kracht van 100 miljoen megaton TNT. Dat komt overeen met 8 miljard
atoombommen van het Hiroshima-type. Het gevolg was een wereldwijde
catastrofe. Door het in de atmosfeer geworpen stof werd het zonlicht
lange tijd verduisterd. Ook daalde de temperatuur abrupt. Driekwart van
alle bestaande dier- en plantesoorten stierf uit. Daaronder waren de
dinosaurussen. Pas later herstelde het leven op aarde zich.
Door de vrij snelle daling van de temperatuur kwamen de koudbloedige grote
reptielen echter flink in de moeilijkheden.
Niet alleen de voorraad eten slonk zienderogen, maar ze konden door deze
temperatuursdaling ook moeilijker reageren.
Ze werden door de toenemende koude steeds trager. Uiteindelijk zouden er
vele grotere soorten niet bestand blijken te zijn tegen deze koudegolf. Als
ze al niet direct stierven aan toenemende honger, dan werden ze meestal wel
een prooi van de waarschijnlijk wel warmbloedige vleesetende reptielen. Deze
waren echter ook gedoemd om te verdwijnen, nadat er geen grote
planteneters meer op het menu stonden. Waarschijnlijk hebben de grote
vleesetende reptielen op het laatst elkaar alleen nog als prooi kunnen
vangen. Daardoor waren ook zij gedoemd om te verdwijnen. De klimaatwijziging
had dus deels tot gevolg, dat de grotere reptielen vrij snel van de
aardbodem verdwenen. De kleinere soorten en de soorten die beter bestand
waren tegen de temperatuurswijziging bleven echter deels doorleven. De
nazaten van een deel van deze soorten kennen we nu van de huidige populatie
reptielen.
Uit
het bovenstaande fragment blijkt het abrupte einde van de leefperiode van het
grootste deel van de Sauriërs.
In
het volgende hoofdtijdvak het Cenozoïcum
(65 miljoen jaar geleden tot heden) volgden de zoogdieren deze
Sauriërs op als heersers over de aarde.
In de
Jura periode leefden er al enige primitieve zoogdiersoorten, maar die kregen van
de allesverscheurende Sauriërs geen kans een uitgebreide populatie
op te
bouwen. Ze kregen en namen pas die kans toen de Sauriërs grotendeels verdwenen
waren.
Halverwege het Cenozoïcum
tijdens het Eoceen- en Oligoceenperiodes leefden de grootste zoogdieren. De
zoogdieren voortkomend in de Jura- en Krijtperiodes
waren nog erg klein.
Hieronder ziet u er een
aantal uitgebeeld.
*De Condylarthra
Deze soort beschikte
over een soort hoeven. Hij leefde tussen de 66 en 58 miljon jaar geleden.
Varianten erop kwamen ook voor t/m het Oligoceen.
*Cynodont
Dit was waarschijnlijk
een van de prille voorouders van de groep der zoogdieren uit het prille begin.
Hij leefde ongeveer 222 tot 215 miljoen jaar geleden.
Hij at zowel vlees als
zaden en wortels. Hij legde nog wel eieren bij de voortplanting.
De levendbarende
zoogdieren stammen uit latere periodes.
*De Ectoconus
Dit was waarschijnlijk
een vleesetende soort, die in Noord-Amerika leefde.
*De Mioclaenus
Nog een zoogdier uit
Noord-Amerka, dat in het Paleoceen voor kwam.
*De Prodiacodon
Deze diertjes waren
mogelijk de voorouder van de huidige egelsoorten.
*De Palaeoryctes
Dit waren
insecteneters, die voorkwamen in Noord-Amerika.
*De Planetetherium
Deze dieren hadden
wijde huidplooien, waarmee ze konden zweven, maar niet echt vliegen. Gelijkend
de huidige vliegende eekhoorns.
*De Psittacotherium
Dit was een zoogdiertje uit
het Paleoceen. Hij had flink ontwikkelde kaken. Het was waarschijnlijk een
vleeseter.
*De Loxolophus
Waarschijnlijk waren
het vleesetende zoogdieren.
*De Phenacodus
Dit was een
zoogdiertje, dat niet groter was dan een tegenwoordig hondje. Het kan als een voorouder van de huidige paarden worden gezien.
*De Taeniolabis
Een voorouder van de
knaag- en roofdieren uit het Paleoceen van Noord-Amerika.
*De Wortmania
Nog een primitief
zoogdiertje uit Noord-Amerika
In vele zoogdieren uit het Cenozoïcum
kan men de voorouders van de huidige zoodieren herkennen. In aardlagen afkomstig
uit het Eoceen heeft men fossiele
resten gevonden van de
Phenadocus en de Hyracotherium. Dat waren primitieve hoefdiertjes met vier tenen
aan iedere voorpoot. Ze hadden het formaat van een kleine hond. Uit het
Oligoceen kent men de drietenige Mesohippus. De Meryhippus uit het Mioceen had
een sterk vergrote middelste teen Met behulp van deze fossielen kan men zich een
beeld verschaffen van de ontwikkelingen van de voorouders van het paard en dat
geldt uiterraard ook voor andere zoogdier soorten.
In de loop der tijd
ontstonden er vanuit de eerste primitieve zoogdieren wat grotere exemplaren.
Hieronder wordt een deel er
van weergegeven. We hebben het dan nog steeds over zoogdieren uit het Cenozoïcum.
*Moropus
Deze soort leek ietwat
op het huidige paard. Het dier had geen hoeven, maar klauwen met lange nagels.
Uit de gevonden gebitsdelen bleek echter dat het een
planteneter was.
Waarschijnlijk dienden de klauwen om bijvoorbeeld wortels uit te graven.
*Dinohyus
Dit was een groot
zoogdier met het uiterlijk van een hedendaags zwijn. Met de lange hoektanden
wroette het dier waarschijnlijk naar voedsel.
*Diceratherium
Dit was een soort
kleine neushoorn ter grootte van een hedendaags varken. Het droeg twee hoorns op
de neus.
*Baluchitherium
Dit is het grootste
van de op land levende zoogdieren geweest. De schouderhoogte bedroeg wel 4,80
meter. Dat is nog 1,50 meter hoger dan de huidige
Afrikaanse Olifant.
Het dier leefde op vlaktes in Azië.
*Uintatherium
Dit was een
neushoornachtig dier met zes hoorns en twee slagtanden. Het was een van de
weinige echt grote zoogdieren uit het Eoceen.
*Hyracodon
Dit dier vertoonde een
grote gelijkenis met het hedendaagse paard. In werkelijkheid gaat het om een
vroege voorouder van de neushoorn.
Paard en neushoorn
zijn nauw aan elkaar verwant. De Hyracodon herinnert daar aan.
*Trilophodon
Dit dier was een van
de talloze inmiddels uitgestorven olifantsoorten. Het dier behoorde tot de groep
"Mastodonten". In beide kaken had hij zware
slagtanden.
*Alticamelus
Dit was een op een
kameel lijkend dier met de nek van een giraffe. Deze soort leefde in
Noord-Amerika.
De tijdvakken waarin de
zoogdieren leefden.
De tijdvakken, waarin de
zoogdieren de aarde overheersen omvatten ongeveer 70 miljoen jaar. Het zijn
7 tijdvakken, die de
onderverdelingen zaijn van de
perioden Tertiarn en Kwartair behorende tot het hoofdtijdvak Cenozoïcum.
In de hieronder
weergegeven tabel zien we hoe de tijdvakken van de zoogdieren door aantallen
jaren worden begrensd.
Tevens staat aangegeven
wat er in die tijdvakken in hoofdzaak gebeurde.
Holoceen
10.000 jaar- heden
Beschaving van de mens
Pleistoceen
2 miljoen-10.000 jaar
Ijstijden en verschijnen van de mens
Plioceen
7 miljoen-2 miljoen jaar
Verschijning mensaap daling van de
temperatuur
Miceen
26 miljoen-7 miljoen jaar
Zoogdieren gaan op vlaktes leven
Oligoceen
38 miljoen-26 miljoen jaar
Specialisatie van de dan levende
diersoorten
Eoceen
54 miljoen-38 miljoen jaar
Hogere zoogdieren
Paleoceen
65 miljoen-54 miljoen jaar
Toenemende ontwikkeling van de zoogdieren
Tijdens het Plioceen begon de
teruggang van de grotere zoogdieren, zoals de Mastodont en de Grondluiaard. Dat
kwam waarschijnlijk door een verandering van het klimaat. Mogelijk heeft ook de
verschijning van de mensaap er mee te maken. In het Plioceen en het Pleistoceen
leefden diverse soorten Olifanten. Tegenwoordig zijn er nog maar twee soorten
over. De zoogdieren uit deze beide tijdvakken leken al heel sterk op de huidige
zoogdieren. Een deel ervan wordt hieronder weergegeven.
*Pliohippus
Dit was een klein soort
paard, dat in het Plioceen leefde.
*Przewalskipaard
Deze soort komt nog voor in
Mongolië, zij het op bescheiden schaal. Dit is ook de
echte voorouder van de huidige paarden.
*Agriotherium
Dit was een beer, die in
Noord-Amerika leefde.
*Holenbeer (Ursus Spelaeus)
Deze beer huisde tijdens de
jongste ijsstijden in grotten. Die grotten waren zijn woonplaats. Na de komst
van de mensachtigen moest hij deze woonplaats
met gevaar voor eigen leven
verdedigen.
*Mastodont
Dit is een van de
verschillende soorten Mastodonten, die tegen het eind van het Pleistoceen
uitstierven.
*Mammoet
Deze Olifant soort had een
zeer dikke vacht en vervaarlijke slagtanden. Plotselinge wijziging in het
landklimaat en de komst van de mens zijn hem
waarschijnlijk te machtig
geworden.
*Amphicyon
Dit was een zoogdier, dat
veel weg had van de huidige hond.
*Canis Dirus
Dit was de grootste
wolfachtige uit het Pleistoceen.
*Sabeltandtijger
Dit waren geduchte jagers
met hun vlijmscherpe hoektanden. Ze deinsden er niet voor terug zelfs de Mammoet
aan te vallen.
*Muskusos
Deze soort leefde in de
ijsstijden van het Pleistoceen in het zuiden van Europa. De soort is zelfs nog
niet helemaal uitgestorven. In Groenland en in het
noorden van Noord-Amerika leven nog
diverse exemplaren. Alleen in zeer koude gebieden kunnen ze zich kennelijk
handhaven.
*Megatherium
Dit was een reusachtige
Luiaard, die in Zuid-Amerika leefde. Waarschijnlijk is het een rechtstreeks
voorouder van de daar nog in bomen van de oerwouden
voorkomende Luiaards. Uit
tijdmetingen lijkt het, dat deze oersoort pas na de laatste ijstijd van het
toneel verdween.
In de bovenstaande voorbeelden
treffen we wat soorten aan, die op dit moment nog op aarde voortleven. We noemen
dat ook wel levende fossielen.
Dit in tegenstelling tot de
fossielen. Daarmee bedoelen we in het algemeen de overblijfselen van dieren en
planten, die in een vroeger geologisch tijdvak hebben geleefd. De meeste
fossielen bestaan uit afdrukken in steenkool, beenderen en schelpen. Vaak zijn
het organismen waarvan de cellen geheel gevuld zijn met mineralen. Ook afdrukken
in versteende klei worden als fossielen beschouwd. Alle fossielen hebben echter
één ding gemeen. Ze zijn volstrekt levenloos.
Wat zijn dan levende fossielen? Daarmee worden nog levende organismen bedoeld,
waarvan de directe verwanten al zeer lang geleden zijn uitgestorven. Van sommige
zeer oude diersoorten zijn kleine aantallen op geisoleerde plaatsen in leven
gebleven. Waarschijnlijk was die geisoleerdheid ook de reden waarom ze niet ten
prooi vielen aan de veranderde levensomstandigheden in overige delen van de
aarde.
Hieronder wat voorbeelden van de
nu levende "levende fossielen", daarbij besteedt ik ook wat aandacht aan de
plantenfamilie.
*Okapi (Okapi johnstoni)
Tijdens het Plioceen was er
een grote verscheidenheid aan dieren, die tot de girafachtigen behoorden. Als
enige van die groep zoogdieren zijn tegenwoordig
de Giraffe en de Okapi
overgebleven. De Okapi lijkt nog het meest op de oervorm van deze soorten. Hij
is vrij zeldzaam en leeft nog op slechts enkele
plaatsen van het oerwoud in
Congo. De Engelsman Sir H. Johnstone herontdekte de Okapi in 1901.
*Kangoeroe (Macropus major)
Dit dier is kenmerkend voor
de orde der buideldieren. Vroeger kwamen de buideldieren over heel de wereld
verspreid voor. Tegenwoordig vindt men ze
alleen nog op sommige
plaatsen in Amerika en in Australië. Doordat het eiland
Australië miljoenen jaren geleden zich
afsplitste van het contingent Azië,
werden de buideldieren daar afgesneden van de verdere ontwikkeling van de
zoogdieren.
*Gaffelantilope (Antilocapra
americana)
Dit dier is de enige
overgebleven soort van de eens zeer grote groep Antilocapridae. Deze dieren
leefden al voor de laatste ijsstijd in Noord-Amerika.
De huidge familie der
Antilopen verleizen jaarlijks hun oude hoorns, die daarna weer aangroeien. Bij
de gaffelantilope wordt jaarlijks de buitenste hoornlaag
van de hoorn vernieuwd.
*Schubdier (Manis pentadactyla)
Het schubdier draagt een
pantser van harde hoornen platen. Het is een nachtdier, dat 's nachts op jacht
gaat naar prooi. Zijn lievelingskostje is een maaltje
mieren of termieten.
Hij komt nog voor in Azië en Afrika.
*Aardvarken (Orycteropus afer)
Tijdens het Plioceen was
deze groep dieren over geheel Europa en Azië
verspreid. Later is dit type dieren ook doorgedrongen in Afrika.
Daar leeft de enige nog overgebleven soort van deze groep, het aardvarken. Dit
vreemde dier heeft geen snij- of hoektanden. Het heeft alleen zeer primitieve
ongeglazuurde kiezen, waaraan nauwelijks een wortel zit. Door iedere kies lopen
straalsgewijs kleine buisjes. Het aardvarken leeft van termieten.
*Reuzenboszwijn (Hylochoerus
meinertzhageni)
Deze wilde zwijnen soort
was tot 1904 onbekend. Na een expeditie van de Engelsman Richard Meinertzhagen
werd hij echter in het Westen van Kenia
ontdekt. De reuzen boszwijn
leeft in groepen in het meest dichte en ondoordringbare oerwoud.
*Komododraak (Varanus komodoensis)
Overblijfselen van de
familie der Varanidae zijn gevonden in aardlagen uit het Krijt. Dan hebben we
het over ongeveer 75 miljoen jaar terug.
Een nog levende soort uit
deze familie is de Komodedraak, die in 1912 op de Komodo eilanden werd ontdekt.
*Brughagedis (Sphenodon punctatum)
Dit reptiel leeft op enige
eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Het is de enige overlevende uit de orde
der Rhyncocephalia, die tijdens het Trias tijdvak
ontstond. Ze hebben toen
samengeleefd met de gigantische Dinosauriërs.
Vrijwel de gehele orde stierf ongeveer 135 miljoen jaar geleden uit. De
brughagedis
is de enige overlevende van
die groep. Het is een nachtjager, die leeft van eieren, insecten en kuikens van
zeevogels. Vermoedelijk kunnen ze wel 100 jaar
oud worden!
*Coelacanth (Latimaria chalumnea)
Omstreeks 350 miljoen jaar
geleden tijdens het Devoon, leefde in stilstaande wateren een groep vissen, die
we de Crossopterygii noemen. Deze vissen
hadden behalve kieuwen ook
longen om adem te kunnen halen. Dat kwam hen van pas in periodes van droogte als
het water grotendeels was verdampt of
zuurstofarm werd. Uit deze
groep vissen zijn vele amfibieën
voortgekomen. Men dacht lange tijd, dat deze groep
vissen geheel was uitgestorven.
Tegenwoordig weet men echter dat er nog wat soorten in leven zijn. De beroemdste
daarvan is de Coelacanth. Een eerste exemplaar werd in 1938 opgevist
uit de monding van een rivier in Zuid-Afrika. Later ontdekte men een grotere
populatie voor de kusten van het eiland Madagascar.
*Degenkrab (Limulus polyphemus)
Dit dier, dat meen ook wel
Molukkenkreeft noemt is in werkelijkheid kreeft nog krab. De degenkrab is
verwant aan de spinnen en schorpioenen. Het is de
enige overlevende van de
orde der Xiphosura. Er zijn nu vier soorten bekend. Een soort leeft langs de
westkust van Noord-Amerika. De andere drie soorten
leven langs de kusten van
Zuidoost Azië. De degenkrab verschilt maar weinig van de soorten, die
300 tot 400 miljoen jaar geleden voorkwamen.
Hun naam danken ze aan het lange uitsteeksel, dat ze aan de achterzijde van hun
gepantserde lichaam dragen.
*Vogelbekdier
(Ornithorhynchus
anatinus)
Het vogelbekdier in Australië kan als een super levende fossiel worden beschouwd.
Het is een uiterst primitief zoogdier, dat nog als zijn
reptielachtige voorouders eieren legt! Verder heeft het echter de kenmerken van
een zoogdier.
*Ginkgo (Ginkgo biloba L.)
Dit is de voor zover bekend
enige nog levende soort uit het geslacht biloba. De overige soorten zijn alleen
nog als fossielen bekend. Het is een blad
verliezende boom, die tot
wel 30 meter hoog kan reiken. De bladeren zijn waaiervormig en hebben een
insnijding. Ze zijn geelachtig groen van kleur.
Er staan wat mooie oude
exemplaren in de Botanische Tuinen van Leiden. De mannelijke vorm van deze boom
(draagt alleen meeldraden) wordt de laatste
jaren veel als
straatbeplanting gebruikt. Oorspronkelijk komt deze boom uit China. Het is niet
bekend of deze soort nog vrij in de natuur en dan in het wild
voorkomt.
*Heermoes (Equisetum arvense L.)
Je ziet als je goed op let hem vrijwel overal in de
bermen van de wegen staan. Eigenlijk is het een heel bijzondere plant.
Hij is opgebouwd uit segmentdelen. die in
elkaar passen als bij een hengel. Hij draagt duidelijk de kenmerken van
plantensoorten, die veel in de prehistorie
voorkwamen. Deze plant is er als een van de
weinigen in geslaagd de tand des tijds te trotseren zonder een modern jasje aan
te hebben getrokken.
Als je de plant bestudeert, dan zul je van de ene
verbazing in de andere vallen. Net als de Varens en de Wolfsklauwen behoren ze
tot de onderafdeling van de
Vaatcryptogamen. Al de planten, die tot die
groep behoren hebben wel wortels maar geen bloemen en dus ook geen zaden.
De voortplanting geschiedt door middel van
sporen, die worden gevormd in sporangiën, die aan de onderkant van kleine
eindelinkse aren aanwezige schubben
staan ingeplant. De sporen zelf hebben een
bijzonder veermechaniek. Het omhulsel splijt bij verstuiving tot vier elastische
banden open.
Door invloeden van wind en verschillen in
luchtvochtigheid veranderen ze van vorm en bewegen zich zo van de ouderplant af
.
Elke plant vormt twee verschillende typen
stengels. Het eerste is rossig en kort en bevat geen chlorofyl en draagt aan de
bovenzijde een sporenaar.
Wanneer dit mechanisme is voltooid dan
verwelkt en verschrompeld deze tak en wordt vervangen door een in leden
verdeelde op de duur sterk vertakte
zogenaamde steriele stengel
De dieren en overige organismen,
die we levende fossielen noemen zijn te beschouwen als als dieren en organismen,
die zich in een ontwikkelingsfase bevinden, die eigenlijk thuis hoort in
voorgande geologische tijdvakken. In feite hadden ze al lang uitgestorven moeten
zijn, maar ze zijn als het ware door een wonder in staat gebleken voort te kunnen
leven. Het is begrijpelijk, dat deze dieren voor de wetenschappers zeer
waardevol zijn. Door de dieren en organismen te bestuderen krijgt de mens een
veel dieper inzicht in het leven van de dieren van miljoenen jaren geleden. Die
kennis kan met behulp van echte fossielen nooit zo diepgaand worden verkregen.
Australië neemt
hierbij een heel bijzondere positie in. Eigenlijk kan de gehele inheemse dieren-
en plantenwereld daar als een levende fossiel worden beschouwd. Dit geldt
grotendeels ook voor de naburige eilanden. De tijd heeft daar als het ware lange
tijd stilgestaan.
Met een beschrijving van de
ontwikkeling van de mensachtigen wil ik deze pagina een beetje afsluiten.
Het verhaal van de mensachtigen of
ook wel de Hominiden genoemd start ongeveer 7,5 miljoen jaar geleden. Dat is in
het tijdvak Mioceen.
Op het internet zijn hierover vele
beschrijvingen aanwezig. Ik wil volstaan met een verwijzing naar een uitgebreide
beschrijving van Ina Belderis genaamd
Na
lezing van deze beschrijving bent u wat meer op de hoogte. Haar mening in
deze ben ik deels toegedaan.
Met de weergave van het
bovenstaande resten mij eigenlijk meer vragen dan antwoorden.
Belangrijke vragen die zo bij
mij opwellen en waar ik voorlopig zelf geen antwoord op weet zijn:
*Ontstond het leven zelf op
aarde of kwam het uit de ruimte.
*Wat is nu de allesomvattende
definitie van het leven.
*Wat doen de wetenschappers nu
verkeerd bij het opwekken van leven in wetenschappelijke opstellingen. Welke
belangrijke
factoren zien ze bij
dat proces wellicht over het hoofd.
*De meest gangbare theorie
over de verspreiding van het leven over de aarde is die dat het ontstond in
de oceanen en dat het
van daaruit het land in
bezit nam. Was er echter geen proces van en en? Het lijkt mij heel goed
mogelijk, dat het leven ook
al werd gevormd in
zoetwaterbekkens op het oerland "Pangea".
*In dit verband zou je ook
kunnen denken, dat de voorouders van de zoogdieren uit het beginleven op het
land ontstonden,
terwijl de voorouders
van de reptielen uit de diepte der oceanen kwamen.
*Waarom ontstonden er naast de
"gewone" planteneters in de dierenwereld ook carnivoren. Welke natuurwet
ligt daaraan ten
grondslag? Is er een
absolute must voor deze ontwikkeling aan te wijzen?
*Waren de afzonderlijke
geologische tijdperken niet een logisch gevolg van zich tussentijds
voordoende catastrofale gebeurteneissen op aarde. Steeds heeft het leven
zich na deze gebeurtenissen moeten herstellen in omvang en diversiteit. Het
waren wellicht ook deze catastrofale gebeurtenissen, die kansen boden tot
een grotere diversiteit van het leven op aarde. Nieuwe soorten verschijnen
dan op het toneel, die zich met redelijke overlevingskansen, ook al door een
kleiner concurrentie aanbod, konden handhaven
En zo kan ik nog wel even
doorgaan. De aarde en het leven heeft wellicht meer onopgeloste en
onoplosbare zaken in zich dan
ik zo vlugweg kan bevroeden!
Toelichting
Met deze pagina wil ik slechts wat
duidelijkheid trachten te scheppen in de aarde en de levensvormen, die er op
voorkomen.
Het gaat dan om een relatief
globale benadering van het onderwerp, waarbij enkele naar mijn gevoel
belangrijke aspecten worden uitgelicht.
Het verhaal opteert nergens de
volledige werkelijkheid weer te geven.
Nieuws! Nieuws! Nieuws!
PARIJS - In Spanje zijn de fossiele
overblijfselen van een gigantische dinosaurus ontdekt. Het dier woog
tussen de 40 en 48 ton en zag eruit als een gigantische hagedis.
Zijn 'bovenarm' was net zo groot als een volwassen mens en iedere
klauw aan zijn voet had de grootte van een rugbybal. Dat hebben
Spaanse wetenschappers gemeld. Ze maken hun vondst wereldkundig in
het blad Science.
De nieuwe dinosaurus is Turiasaurus riodevensis gedoopt, een
samentrekking van het Griekse woord Teruel (hagedis) en Riodeva, het
dorp waar het fossiel is gevonden. Het is het grootste exemplaar dat
tot nu toe in Europa is ontdekt.
Eerder werden vooral in Zuid- en Noord-Amerika resten van grote
dinosaurussen gevonden. Maar ook in Europa zouden naar laatstelijk
blijkt, forse prehistorische monsters hebben geleefd.
(ANP dec 2006)