Cactussen en Vetplanten
ook wel
Succulenten genaamd
Miljoenen jaren geleden was de aarde grotendeels bedekt met oerwouden en vooral veel water. De temperatuur was wereldwijd voornamelijk hoog. Veel hoger dan nu het geval is, waardoor de toenmalige Polen nauwelijks ijs bevatten. Hierdoor was de waterstand in de oceanen en zeeën beduidend hoger dan nu het geval is. Er heerste vrijwel overal een tropisch tot subtropisch klimaat. Door de vochtige warme omstandigheden konden ontelbare plantensoorten ontstaan die binnen dat klimaat een uitstekende leefomgeving konden vinden. Door sterke klimatologische veranderingen koelde de aarde echter van lieverlee af. Aan de Polen ontstonden na verloop van tijd sneeuw en ijsgebieden. Ook in hoger gelegen bergachtige gebieden daalde de temperatuur, waardoor ook daar sneeuw en ijs kon ontstaan. Dit alles had tot gevolg, dat er op de aarde meer dan daarvoor klimaatzones ontstonden. Delen van de de eerst subtropische gebieden veranderden in koelere streken, waarin een groot deel van de tot dan toe bestaande vegetatie niet goed meer kon voortbestaan. Daardoor kreeg het evolutieproces meer vat op de daar groeiende plantensoorten. Voor veel planten was de enige remedie aanpassen of anders teloorgaan. Dit proces heeft geleid tot een nog grotere diversiteit aan plantensoorten, dan die de aarde daarvoor al kende. In de koudere streken ontstonden zo de coniferen en naaldbomen, maar ook vele nieuwe aan de veranderde omstandigheden soorten loofbomen en de loofstruiken. In de wat warmere streken had de klimaatwijziging ook vaak een sterke vermindering van de regenval tot gevolg. De bestaande planten moesten zich daarop aanpassen. De soms langdurige droge periodes noopten hen om al te weelderige uiterlijkheden af te werpen en te zorgen voor een aan de nieuwe omstandigheden aangepaste doelmatige vorm. Sommige plantensoorten hebben dat kunstje in relatief korte tijd voor elkaar gekregen. Die soorten planten gingen er niet meer toe over om bladeren aan te maken. De in de bladeren verscholen functies werden overgenomen door het plantlichaam. De assimilatie processen vonden voortaan niet meer plaats in de bladeren, maar in de daartoe aangemaakte cellen van het plantlichaam zelf. Om de verdamping van water zoveel mogelijk tegen te gaan gebeurde er nog iets. Het plantlichaam werd van een soort beschermende laag voorzien. Om de planten werd als het ware een verdikte huid en soms zelfs een wasachtige laag aangelegd. Ook het aantal huidporieen werd drastisch verminderd, waardoor de verdamping nog meer werd geremd. Zo konden die soorten planten het lange tijd zonder water uithouden. De vaak geringe neerslag werd gewoon in het plantlichaam opgeslagen. Die als het ware als een weerbestendige waterzak ging dienen. Door deze wijziging ontstond er echter nog een probleem. Het opgeslagen water was wel voor de plant zelf bedoeld, maar andere leefgenoten en dan vooral de vogels en dan levende dieren dachten hun dorst ongemoeid bij dat soort planten te kunnen lessen. Om dat proces tegen te gaan dan wel grotendeels te voorkomen ontwikkelden veel soorten weer een nieuwe strategie. Op plaatsen waar eerst bladeren welig groeiden vormden zij stekels en vaak niet zo weinig ook. Zo kregen de eerdere belagers het beduidend moeilijker om aan hun trekken te komen.
Een andere groep planten ondergingen een wat andere ontwikkeling. De eerst sappige bladeren werden vervangen door vlezige dikke blaadjes, die vaak in rozetten een plaats op de vlezig verdikte takken vonden. Andere meest kleinere plantensoorten gingen het lager bij de grond zoeken om zo min mogelijk vocht te verspillen. Zij vormden op de grond liggende of staande vlezige bladrozetten danwel rondachtige lichamen. Sommige soorten versterkten deze groeisels met heuse stekels op de meest zwakke plekken. Weer andere soorten zochten het in een minimaal formaat van het plantlichaam. Soms lijken ze wat op de steentjes, die hen in de natuur omringen. Zo ontdekten een deel van de plantenwereld vele manieren om hun voortbestaan veilig te stellen en dat vaak met goed succes.
Zo zou het ongeveer gegaan kunnen zijn bij de ontwikkeling van veel van Cactussen en Vetplanten, die we nu kennen. Daarbij is het juiste moment in de ontwikkeling van deze plantenfamilie voor een deel van de soorten wellicht niet geheel juist gekozen en verklaard. Maar in het licht van deze pagina is deze meest symbolische beschrijving wellicht voldoende.
Het hele proces is naar men nu aanneemt voornamelijk in Zuid-Amerika gestart. Daar ontstonden waarschijnlijk de eerste succulente planten. Naar men aanneemt is de Pereskia familie wellicht ëën van de voorouders van de vele huidige soorten. Het succes van de toenmalige wijzigingen heeft later navolging gekregen in grote delen van een flink stuk van de aarde. Globaal gezien zou je kunnen zeggen dat succulenten nu van nature voorkomen vanaf de 50e breedtegraad in het Zuidelijk Halfrond en de 52e breedtegraad van het Noordelijk Halfrond. Door de veranderingen in het wereldklimaat verschuiven die grenzen echter rap richting de Polen.
Cactussen en Vetplanten, die men dus ook wel Succulenten noemt zijn een geslaagd probeersel van de natuur te noemen. Daarnaast heeft het succesverhaal tevens geleid tot een diversiteit, die duizenden soorten omvat.
Succulenten zijn dus planten, die zich hebben aangepast aan schrale leefomstandigheden. Indien u onverhoopt zelf succulenten gaat kweken, houd daar dan goed rekening mee. Een goede verzorging houdt veelal armoe is troef in voor de planten. Een teveel aan water is vaak slechter dan een tekort. Van natte voeten houden de meeste soorten al helemaal niet. Vaak zullen ze daaraan ten onder gaan. Let daarop ook als u de Succulenten in de zomer buiten gaat zetten. Plaats ze altijd zodanig, dat het overtollige water snel afgevoerd kan worden. Bij langdurig regenachtig weer is het vaak nodig extra bescherming tegen al dat vocht aan te brengen. Haal de planten dan desnoods maar weer naar binnen of plaats ze in een koude kas, zo u die bezit.
Naast het aandachtpunt water, verdient ook de grondsamenstelling wat attentie. Het volstaat vaak niet om zomaar wat potgrond te gebruiken. Voor succulenten is de daarvoor speciaal samengestelde schrale zanderige aarde te koop. Gebruik bij voorkeur die soort aarde als u een plant gaat verpotten danwel gaat oppotten. Overigens kunt u voor de buitenperiode het beste de maanden mei t/m september aanhouden. Wees er echter vooral van bewust, dat Cactussen en Vetplanten vooral tropische en subtropische planten zijn, die in het toch nog gure winterse klimaat van Noord Europa buiten in de vrije natuur nauwelijks een kans hebben. Daarvoor zijn slechts enkele soorten, die in onze streken inheems zijn, geschikt. Verder is bij de meeste soorten een extra bemesting tijdens de groeiperiode nodig. Daarvoor kunt u in de winkel speciale mest verkrijgen, die bij Succulenten het beste resultaat geven. Voor een volledige beschrijving van de verzorging van de meeste soorten kunt u o.a. terecht bij: Grusonia in West Vlaanderen.
In deze pagina zullen er een flink aantal soorten worden uitgelicht, die in woord en beeld zullen worden beschreven.
Voor de toevallige voorbijganger op deze pagina, die niet zoveel op heeft met de Cactus of de Vetplant in het algemeen en de fervente bloemenliefhebber geldt nog een bijzonderheid. Cactussen en vetplanten zijn bij uitstek vaak, uitzonderingen daargelaten, geen uitbundige bloeiers. De bloemen zijn daarnaast veelal een vrij kort leven beschoren. Sommige soorten bloeien zelfs alleen in de nachtelijk uren. U kunt er dus geen vaas met bloemen mee vullen. Wat ze alle wel gemeen hebben, is het taaie weerbarstige om met weinig middelen toch in leven te blijven.
Omstreeks begin januari 2005 zijn een flink te beschrijven soorten weergegeven. Ondanks de veelheid ervan is het geheel slechts een fractie van alle bestaande soorten. Daar waar nodig zullen in later instantie aanvullingen en verbeteringen worden aangebracht.
Ondertussen kunt u zich gewoon verder oriënteren op het internet. Er zijn immers honderden websites, die u op het gebied van de Succulenten bij elkaar meer informatie zullen verschaffen dan u soms lief zal zijn.
*Adromischus cooperi

Deze soort omvat een flink aantal subsoorten, die voornamelijk uit gebieden van Zuid Afrika komen. Het zijn veelal gedrongen planten, die een soort rozetten met gedrongen verdikte bladeren aanmaakt. Sommige soorten vormen daarbij zelfs een soort stam. De vettige blaadjes breken gemakkelijk af en vormen daarna al weer snel een nieuwe plant. Ze zijn nauw verwant met het geslacht Cotyledon. Veel soorten zijn veelal grijsgroen van kleur, sommige soorten hebben bruinige vlekken op de bladdelen. De bloemen zijn veelal lila of groenachtig van kleur. De bloei periode is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden en ligt veelal rond de zomer. De planten dienen vrijwel altijd in het volle licht te staan. Een tekort aan licht zal resulteren in het wegkwijnen van de planten. Op de foto's ziet u links een voorbeeld van de Adromischus. De rechtse foto is van een Cotyledon geschoten. De groeivorm van beide soorten geschiedt in een rozetvorm. Deze vorm ziet men bij meer soorten. Hij is er op gericht om zoveel mogelijk water naar het hart en het wortelgestel van de plant te richten. Zo zijn planten er in de natuurlijke vaak waterarme omstandigheden toe in staat om zelfs dauw in waterdruppels om te zetten. En let op, elke druppel telt dan vaak voor dit soort planten.
*Aeonium

Het geslacht Aeonium kent ongeveer een 40-tal soorten, die van oorsprong voorkomen op de Canarische Eilanden en deels in het Middellandse Zeegebied. De plant vormt in het wild een houtig en deels vlezig vertakt struikje, dat ongeveer 1 meter hoog wordt. Aan het eind van de takken staan de vlezige bladrozetten, die soms wel een doorsnede van 20 cm kunnen bereiken. Die bladrozetten hebben de functie van de bladeren overgenomen en verrichten het leeuwendeel van het assimilatieproces. De oude rozetten sterven na verloop van tijd af. Daaronder vormen zich echter alweer de nieuwe rozetten. In tegenstelling tot andere soorten houden Aeoniums wel van een voedzame maar wel goed waterdoorlatende en liefst zanderige grond. Wat grove steenslag of kiezel rond de plant kan ook geen kwaad. De eigenlijke groeiperiode ligt van nature in de winter. Dan is een ietsje extra water geven geen overbodige luxe. Het juiste moment herkent u wel aan de duidelijk zichtbare (her)groeiverschijnselen. Na de winter kunnen op sommige oudere rozetten een bloeiaar verschijnen. De kleur van de bloemen is afhankelijk van de soort en kan geel, rose of rood zijn. De bloeiende rozet zal daarna afsterven.
*Agave americana

Deze soort is vrij algemeen bekend en wordt op veel plaatsen door mensen als kuipplant gekweekt. De oorspong ligt vermoedelijk in Mexico, maar inmiddels is hij door de mens zeer ver verspreid. Hierdoor komt hij in vele delen van de wereld met subtropische en tropische omstandigheden vrij in de natuur voor. De plant is ook goed als kamerplant te gebruiken, maar dan dient men wel over voldoende ruimte in huis te beschikken. De plant kan namelijk flink groot worden en vormt dan al gauw een obstakel. Overigens bestaat er binnen de Agave familie nogal wat diversiteit in het uiterlijk van de planten. Zo zijn er geheel groene, maar ook blauwgeel, witgeel en groengeel gestreepte varieteiten. Het zelf stekken van jonge uitlopers, die vanuit de wortelbasis verschijnen gaat vrij gemakkelijk in een grondmengsel van zand, steengruis en wat potgrond. Plaats de stekplant op een lichte plaats met voldoende warmte. De grond dient licht vochtig gehouden te worden. Na het herstarten van de groei dient de plant na verloop van tijd in een ruimere pot te worden overgeplaatst. De grootte van de plant is bepalend voor de grootte van de pot.
*Agave filifera

Deze soort vormt compact opgroeiende planten, die uiteindelijk flink groot kunnen worden. In onze streken worden ze grotendeels als huiskamerplant gekweekt. Opvallend zijn de witte strepen op de bladeren van de de A. filifera compacta. Nog opvallender zijn de op draden lijkende groeisels op de bladeren. Dat geldt ook maar in mindere mate voor de donkerbruine stekels aan de toppen van de bladeren. Ook deze soort is inmiddels inheems in vele warme streken van de wereld.
*Aloë arborescens

De Aloë familie is een wijde verbreide soort met vele nakomelingen in allerlei vormen en gedaanten. Ze komen in vele warmere streken van de wereld voor. In Afrika alleen al komen ruim 100 soorten vrij in de natuur voor! Sommige Aloë soorten kunnen bij ouderdom een soort boom vormen, die wel 10 meter hoog kan worden! Daarentegen bestaan er echter ook bijzonder kleine exemplaren, die vaak niet veel groter worden dan enkele centimeters. A. arborescens wordt veelal als huiskamerplant gekweekt. In menige vensterbank kan men een exemplaar aantreffen. In een huiskamer met de vaak beperkte groeiruimte zal de plant vrijwel nooit volwassen worden. In een tropische kas gekweekte soorten zullen echter op de duur bloemen gaan aanmaken. Het zijn dan majestieuze uitziende rode bloemaren, waarin de talloze bloempjes proberen de aandacht van de insecten te trekken. Overigens zijn er ook weer varianten met gele bloemaren.
*Aloë mitriformis

Deze plant is ook weer een dankbare soort om in de huiskamer te kweken. Hij geeft in afwijking van veel andere soorten de voorkeur aan een humusrijk grondje bestaande uit klei en bladaarde. Geef ze echter niet teveel water. Licht vochtig houden is voldoende. Geef ook geen water op de rozetten van de plant, maar gewoon ernaast op de grond in de pot. De plant kan in de zomer met pot en al buiten geplaatst worden. Daarna moet hij in september weer gauw naar binnen. In die zomerperiode vragen deze planten vrij veel water. in de vrije natuur bloeien de planten met vele oranjerode bloempjes, die op de vrij lange bloemaren staan. In huis zal dat slechts sporadisch voorkomen.
*Aloë aristata

Deze plant is ook weer erg geschikt voor de kweek op de vensterbank. Hij kan tegen flink droge omstandigheden. Dan sluit hij om verdamping zoveel mogelijk tegen te gaan de bladrozet tot een soort bol. Na het hergeven van water opent deze bol zich dan weer. Ook deze soort kan in de zomer een plaatsje buiten krijgen.
*Anacampseros rufescens

Deze plant is in de praktijk moeilijk in huis te kweken, waardoor hij veelal alleen bij de echte fanaten in het bezit zal zijn. Deze plant deelt men kwa habitus in bij de bladsucculenten. Dat betekent in ieder geval, dat de plant laag bij de grond groeit. De aan de plant verschijnende bloemen staan op lange stelen en zijn veelal rose van kleur. Overigens verwelken de bloemen erg snel. Dit soort planten is erg watergevoelig. In de zomer mogen ze weinig water en in de winterperiode al helemaal niet. Hooguit kunt u ze licht benevelen. Leuk is het te weten, dat deze soortjes in feite tot de Posteleinfamilie behoren.
De Anacampseros familie heeft ook weer wat gezinsleden die men stamsucculenten noemt. De bladrozetten staan dan op verhoogde vlezige stammetjes. Vaak ook hebben deze stammetjes een kleur, die in de buurt van de kleur van de grond in de omgeving komt.
*Aporocactus flagelliformis

Deze Cactussoort is de uitzondering, die de regel bevestigd binnen de Cactusfamilies. Er zijn er slechts weinige, die zich gedragen als een hangplant en ook als zodanig te kweken zijn.
De plant vormt lange staartvormige hangende stengels, die wel 1 meter lang kunnen worden. Hij heeft behoefte aan veel licht, want al te donker geplaatst, zal hij zijn prachtige bloeiwijze met vele lilarose bloemen in het voorjaar niet of nauwelijks vertonen. Tijdens die bloeiperiode verlangt de plant naast veel licht ook veel water. Na de bloei gaat de plant in rust. Ook dan kan de watergift zij het matig doorgaan. De plant dient in die rustperiode op een wat koelere plaats uit de directe zonnestralen te worden gezet. Vanaf half februari kan de plant dan weer op een warmere plaats in de zon worden geplaatst of opgehangen. Men noemt de plant ook wel Rattenstaartcactus vanwege de lange staartvormige stengels. Overigens is het een epifyt. Dat betekent, dat de plant in de vrije natuur zich op andere planten of bomen in leven houdt. Dat doet hij zonder voedsel aan de gastheer te onttrekken. Meestal groeit hij dan in een holle ruimte op een boomtak, waarin zich een humusrijke massa heeft gevormd. Dit stelt wel wat eisen aan de grond grondsamenstelling, die zoveel mogelijk de natuurlijke omstandigheden moet benaderen. Een mengsel met veel bladaarde en schors maar ook wat klei en wat zand lijkt dan aardig in de buurt te komen.
*Argyroderma

Deze plantensoort komt oorspronkelijk uit de Knersvlakte in Klein Namaqualand. Die streek vinden we terug in Zuid Afrika. Ze groeien en leven daar in een grondsamenstelling die het meest zanderig is met daarbij fragmenten van marmer. De grond is daarbij tevens afgedekt met steentjes. De plantjes groeien daar in de zomer uit en vormen daarbij een of een paar bladeren. Die bladeren zien er heel speciaal uit. Ze lijken soms wat op schelpachtig geopende dikke ronde steentjes of gewoon als steentjes. Afhankelijk van de variant geven ze verhoudingsgewijs vrij grote witte, rode, rose of gele boemen. In de winter dienen ze absoluut droog gehouden te worden. In de zomer kunnen ze een matige gift water verdragen. Het lijkt leuk dergelijke wondertjes van de natuur eens zelf in een pot te kweken en de leuke bloei te bewonderen. Houdt dan bij de grondsamenstelling uiteraard zoveel mogelijk de natuurlijke omstandigheden aan.
*Arthrocereus

Van de Cactus familie Arthrocereus zijn een viertal varianten bekend, die van nature hoofdzakelijk in Brazilië voorkomen. Het zijn meest gedrongen Cactussen met een zuilvormige groeiwijze. Bij de oudere planten verhout de basis zich enigszins. Veelal bezitten ze een netwerk van vlijmscherpe stekels of zo men wil doornen om al te nieuwsgierige levende streekgenoten wat op afstand te houden. De kleur van de steeksels verschilt ook weer per soort. Om de planten in bloei te zien, dan moet men op de nachtelijke uren wachten, want dan voltrekt het wonder van de bloei zich in vrij korte tijd. De bloemen zijn meest wit, lang en slank en hebben een behaard uiterlijk. De planten vragen weinig aandacht en vooral weinig water.
Een zanderige Cactusgrondje voldoet het beste bij het oppotten en verpotten.
*Astrophytum myriostigma (Bisschopsmuts)

Het geslacht Astrophytum heeft slechts weinig leden in de directe familie. De meeste soorten zijn vrij moeilijk te kweken door een amateur. Het is echt een soortje voor de fervente Succulenten kweker. A. myriostigma vormt een gunstige uitzondering op die regel. Deze soort is redelijk eenvoudig te onderhouden en in leven te houden. Het is een vrij traag groeiende soort, die hooguit 10 cm hoog zal worden. Kenmerkend is de geribde vorm en het ontbreken van stekels of doornen. In plaats daarvan hebben de afzonderlijke ribdelen van de plant vaak wat wollig pluis op die ribben. De juiste functie is niet geheel duidelijk. De plant tovert in de zomer vaak wat lichtgele bloemen tevoorschijn. De oorsprong van Astrophytum ligt in Mexico.
In de zomer verlangt hij een zonnige plek en een matige watergift. In de winter kan hij het beste in een droge koele ruimte worden geplaatst.
*Astrophytum ornatum

Deze soort is binnen het geslacht Astrophytum weer bijzonder, omdat het de enige is, die scherpe stekels of doornen op zijn lichaam bezit. Het is een in de praktijk zeer weerbarstige soort, die niet zo geschikt is voor huis tuin en keuken gebruik. Alleen de echte liefhebber fanaat zal in staat zijn de plant in goede conditie te houden. Dat betekent onder meer, dat hij in de zomer op een echt warme plaats dient te staan. Op dat moment kan hij matig water gebruiken. In de winter dient hij bij een temperatuur van rond de 10 graden Celcius te overwinteren en dan ook vooral droog te worden gehouden. Als u die omstandigheden weet aan te houden, dan heeft u een redelijke kans op succes. Garanties gelden echter maar tot aan de deur. Ook deze soort bloeit in de zomer en produceert dan een aantal bloemen met wit en geel als hoofdkleuren.
*Austrocylindropuntia

Dit geslacht komt van oorsprong voor in droge streken van Bolivia en Argentinië. Ze hebben iets weg van de meer bekendere Opuntia's, zij het, dat de leden niet afgeplat maar rondachtig zijn. Binnen het geslacht is de soort Cristata vermeldenswaardig vanwege zijn merkwaardige vormen en behaarde uiterlijk. De planten zijn redelijk goed kweekbaar en vragen een voedzame zanderige grond. Vanaf het late voorjaar tot de herfst, als de groei er goed in zit, kunnen de planten aardig wat water verdragen. In de winter dienen ze op een koele plaats bij ongeveer 10 graden Celcius en meest droog te overleven. Onder gunstige omstandigheden geven de planten soms een aantal flink grote bloemen, waarbij helderrood een veel voorkomende kleur is.
*Borzicactus

Dit geslacht omvat een aantal zuilvormige zich vertakkende cactussen. De meeste zijn voorzien van een respectabel aantal vlijmscherpe stekels of doornen. Met een beetje geluk vertonen ze overdag en dan in de zomer een aantal meest roodgekleurde bloemen. Kenmerkend zijn daarbij de aan de onderkant wollige behaarde meeldraden.
Vrijwel alle leden van dit geslacht zijn vrij gemakkelijk te kweken. Ze verlangen een normale cactusgrond bij het oppotten en ompotten. In het groeizoen hebben ze wat extra water nodig.
De planten behoeven niet in de volle zon te staan. Een plaats met veel indirect licht of in de halfschaduw verdient zelfs de voorkeur. De plaats van oorsprong ligt in Zuid Amerika.
Opmerkelijk binnen het geslacht is de B. icosagonus met zijn meest geelachtig gekleurde stekels of doornen. Daarnaast vertoont deze soort opvallend grote roodgekleurde bloemen.
*Brasiliopuntia (Braziliaanse opuntia)

Deze soort binnen het geslacht Opuntia komt van oorsprong uit Brazilië. De plant vormt rechtopgaande ronde vlezige stammetjes. Aan die stammetjes ontwikkelen zich de kenmerkende leden, die een wat golvende platte structuur hebben. Op de stam en de leden staan wat vlijmscherpe stekels of doornen. In de vrije natuur ontwikkelt de plant zich tot een flinke boomachtige structuur. Die vorm zal hij in huis waarschijnlijk nooit halen. In feite zullen ze gewoon klein en hanteerbaar blijven. Ze verlangen een normale zanderige cactuspotgrond bij het oppotten en ompotten. Zijn voorkeur in het groeiseizoen gaat uit naar een warme plaats uit de felle zon. In de winter is een matig verwarmde plaats bij een temperatuur van rond de 10 graden Celcius het meest aangenaam voor de plant. Als hij het goed naar de zin heeft, dan vertoont de plant soms een geelachtig gekleurde bloem.
*Bryophyllum

Deze soort komt van nature voor in Madagascar. Kenmerkend is dat deze plant jonge plantjes aanmaakt aan de top of de rand van de bladeren. De planten vertonen verder bloemen in de kleuren oranje en lilarood. Dat hangt samen met de soort. De plant is redelijk te onderhouden. In de het groeiseizoen en dan vooral in de zomer dienen ze geregeld water te krijgen. In de winter kan spaarzaam wat water worden gegeven. De oudere planten hebben de neiging om al snel lelijk te worden. Middels de broedplantjes kunt u steeds voor verjonging zorgen.
Gebruik normale zanderige cactusgrond voor het oppotten en ompotten.
*Carnegiea gingantea

Deze plant is een werkelijke gigant onder de Cactussen. In de vrije natuur in Arizona waar hij van oorsprong voorkomt kan de plant wel 15 meter hoog worden. Soms groeit hij op als een rechtopgaande zuil. Vaker maakt hij wat vertakkingen aan, die dan ook weer recht omhoog groeien. Hij ziet er met zijn ontelbare stekels of doornen echt vervaarlijk uit. Die groei gaat overigens vrij traag. Waarschijnlijk zult u bij leven niet zo'n plant bij elkaar kunnen kweken. Meestal blijven ze thuis in een pot of bak gelukkig wat kleiner van formaat en daarmee hanteerbaar. Let er wel op, dat de plant vrij veel warmte verlangt. Dat geldt ook voor de winter. Veel water heeft hij trouwens niet nodig.
*Cephalocereus of Cephaloporus of Pilocereus

Deze soort heeft een aantal goed groeiende varianten in het pakket. Ze vragen alle een goed afwaterend grondmengsel, waarbij wat steengruis dient te worden toegevoegd. In het groeiseizoen kan er matig water worden gegeven. Een warme standplaats met veel licht is dan de beste remedie om de groei erin te houden. In de koudere tijden verlangen de planten vooral veel rust en vooral weinig water maar wel een redelijk warme plek. Probeer de temperatuur boven de 15 graden Celcius te houden. Veelal is een kleine nevelbeurt op de grond voldoende. De planten zelf zijn opgaande zuilvormige groeiers. Ze zijn bedekt met stekels of doornen, daartussen hebben veel soorten een witachtige beharing. Bij puike omstandigheden willen ze nog wel eens een bloem tevoorschijn toveren, die een witte deels rose-achtige danwel een roodachtige kleur hebben. Dat ligt aan de onderhavige soort. C. palmeri vertoont de wit-rose bloemkleur, terwijl C. chrysacanthus de roodachtige bloemen levert. C. palmeri heeft ook nog eens een blauw berijpt uitziend plantlichaam. Binnen de groep heeft C. Senilis met zijn extra behaarde uiterlijk weer een aparte noot aan de familie. Als de planten goed doorgroeien, dan is een jaarlijkse verpotting aan te bevelen. Probeer de oude potkluit dan zoveel mogelijk in stand te houden. De oorsprong ligt veelal in en rond Midden Amerika.
*Cereus

Deze groep omvat een flink aantal soorten, die alle goede groeiers zijn. De meeste hebben een vertakkende zuilachtige vorm en kunnen in de vrije natuur flink groot worden. In die vrije natuur produceren ze flinke grote witachtige bloemen. In huis gekweekt zal dat niet gemakkelijk gebeuren. De planten verlangen een zanderige grond met flink wat steengruis. Als de groei er in zit, dan dienen ze vrijwel jaarlijks omgepot te worden. Houdt dan de oude wortelkluit zoveel mogelijk heel. Ze verlangen veelal een lichte zonnige plek en vooral veel warmte tijdens het groeiseizoen. Ook lusten ze dan aardig wat water. Een sproeibeurtje op zijn tijd zal ook dankbaar aanvaard worden. In de winter kunnen ze in een koelere ruimte op een lichte plaats worden gezet. Houdt dan een minimum temperatuur van 8 graden Celcius aan. De oorsprong van de Cereus familie ligt grotendeels in het Zuidelijke deel van Zuid Amerika.
In hun natuurlijke omgeving kunnen het flink grote boomachtige planten worden. Vooral C. peruvianus monstruosus wil nog wel eens flinke en vaak monsterachtige vormen aannemen. Over het algemeen zijn de Cereus soorten wat minder van stekels of doornen voorzien. Vaak zijn deze ook wat aan de korte kant.
*Ceropegia

Deze groep omvat een flink aantal soorten, die als basis een knolachtig wortelgestel hebben. Vanuit die knol groeien de vaak ragfijne stengeltjes, waaraan de bladeren, de meest bijzondere bloempjes en ook de jonge knolletjes zich bevinden. Zo'n knolletje ontwikkelt zich weer tot een volwassen plant als hij grond onder "de voeten" krijgt. De aan de stengeltjes hangende blaadjes zijn meest hartvormig rond en vettig van structuur. De kleur en de vorm van de bloempjes hangt af van de soort. In huis gekweekt hebben ze het liefst een warme plaats op een Zuidvenster. Geef ze matig water. Dat geldt voor zowel de zomer als de koudere periodes. De C. linearis geldt in dit verband als voorbeeld. Deze plant komt van oorsprong uit Zuid Afrika. Overigens zijn er flink veel meer soorten, die meest in de droge gebieden van Afrika, Azië en Australië voorkomen. De groeiwijze is vaak identiek aan de beschreven soort. Maar er zijn ook soorten, die klimmende of windende stengels aanmaken.
*Chamaecereus silvestrii

Dit plantje komt van oorsprong uit het Noordwesten van Argentinië. Men noemt de plant ook wel Augurkjescactus. Dat is dan vanwege de op augurken gelijkende plantdelen, die onvermoeibaar worden aangemaakt. De plant is daarbij licht zodevormend en kan in de vrije natuur relatief snel een behoorlijke oppervlakte bedekken. De zogenaamde augurkjes hebben een ronde langwerpige vorm en zijn flink bedekt met stekels of doornen. De bloeitijd valt in het voorjaar, dan verschijnen er veel relatief grote roodachtige bloemen vanuit de leden.
Tijdens de groeiperiode heeft de plant behoefte aan flink wat warmte, water en licht. In de winter kan de plant in een lichte droge en koele ruimte worden geplaatst. Een temperatuur van ongeveer 5 graden Celcius is dan voldoende.
*Cleistocactus

De naam van deze groep planten is ontleend aan het feit, dat de bloemen zich schijnbaar niet openen tijdens de bloeiperiode. Het worden als het ware een soort pijpjes. De soort geeft de voorkeur aan een voedingsrijk grondmengsel met uiteraard wat zand en steengruis. Voor de humustoevoeging kunt u wat goed verteerde bladaarde gebruiken. Ze geven voorts de voorkeur aan een vochtige omgeving en verlangen flink wat water. Ook in de winter kan de watergift, in beperktere mate, gewoon doorgaan. Ze geven de voorkeur aan een lichte zonnige standplaats. Veel van de soorten hebben een zuilvomig uiterlijk, dat bezaaid is met donsachtige haren. Er zijn soorten met helderrode en karmijnrode maar ook gele en oranje-achtige bloemen. De oorsprong ligt in Zuid-Amerika.
*Conophytum

Deze soort vormt kleine afgeplatte of rondachtig gevormde lichaampjes, die uit twee vergroeide blaadjes bestaan. Alleen een spleetje geeft soms aan waar de scheiding tussen de "Siamese tweelingen" zit.
In de droge rustperiode zullen de plantjes vrijwel geheel verschrompelen, om daarna bij de hergroei een nieuw stel blaadjes er bovenop aan te maken. De hergoei begint pas laat in de zomer. Tijdens die hergroeiperiode is een normale watergift nodig. Als alles goed gaat, dan verschijnen er vaak vanuit de scheiding tussen de blaadjes ongekend grote bloemen naar verhouding tot de lichaampjes. De kleur is afhankelijk van de variant. Deze is meest wit, geel, rose, lila, of rood. De oorsprong ligt veelal in Zuid Afrika. Ze verlangen een zanderige goed afwaterende grond met veel steengruis.
*Copiapoa

Deze soort komt oorspronkelijk uit gebieden van Noord Chili. In de vrije natuur groeien ze uit tot een min of meer ronde stekelige Cactus. De afzonderlijke soorten hebben zo hun eigen uiterlijk. Wat ze gemeen hebben, is het feit, dat ze in hun natuurlijke omgeving weinig water gewend zijn en veelal weinig regen. In huis gekweekt betekent dat onder meer, dat u met het water geven uiterst voorzichtig moet zijn. Alleen de grond dient wat vochtig gemaakt te worden. Het is verboden op de planten water te geven. De bloei ligt veelal in de zomer. De bloemkleur hangt een beetje af van de soort en is meestal geelachtig. Voor in huis worden soms geënte planten gebruikt. Vaak zijn dat zaailingen van de Copiapoa, die voor het kopdeel worden gebruikt. Voor het onderstuk wordt dan een andere gemakkelijker en vooral houdbaarder groeiende soort toegepast.
*Coryphantha

Van deze soort bestaan er een flink aantal varianten. Ze komen van nature voor in het Zuidwesten van de VS en in Mexico. Het zijn veelal planten met rondachtige lichamen en daarop vele leden in de vorm van knobbels. Ze zijn ook meestal bedekt met vele stekels of doornen met vaak fraaie kleuren voor zover het de woestijnvarianten betreft. Coryphantha komt zowel in woestijngebieden als in wat groenere gebieden voor. Per afkomst vragen ze een eigen grondsamenstelling. Deze is veelal zanderig met veel steengruis voor de soorten met een "woestijnachtergrond" de "groenere" soorten vragen wat meer humus in het grondmengsel. Deze laatste soorten bezitten ook minder stekels of doornen dan hun woestijngenoten. Alle soorten dienen in de winter droog gehouden te worden op een lichte en koele plaats. Sommige soorten Coryphantha hebben soms last van spintaantasting. Hiertegen kunt u het beste tijdens het groeiseizoen spuiten. Overigens ligt de bloei veelal in de zomer. De grootte en de bloemkleur hangt af van de soort.
*Cotyledon

Deze plantenfamilie heeft leden in zowel blad- als stamsucculenten. Deze laatste groep komt in cultuur vrijwel niet voor. Alleen de fervente liefhebber zal eventueel een exemplaar hebben.
Meer dan de stamvorm wordt de bladvorm toegepast. Kenmerkend is, dat bij de grondsamenstelling een flinke hoeveelheid klei dient te worden toegevoegd. In de zomer hebben ze het liefst een warme zonnige en droge standplaats. Veel water hebben ze dan ook niet nodig. In de winter geven ze de voorkeur aan een wat koelere maar lichte plek.
*Crassula arborescens
De familie Crassula herbergt een tweetal type planten. Enerzijds zijn dat de soorten, die vlezige bladeren produceren. C. arborescens is daar een voorbeeld van. De groeiperiode ligt in het voorjaar en de zomer. De plant is vrij sterk en kan omstreeks eind mei gerust buiten geplaatst worden.
Hij verlangt een zonnige en luwe plaats. Het beste kan de plant met pot en al ingegraven worden om het watergeven tot een minimum te beperken.
Eind september kunt u hem dan weer uitgraven en binnen op een lichte koele plaats zetten.
Als u trouwens geluk heeft, dan wil de plant op oudere leeftijd wel eens gaan bloeien. Andere soorten binnen de Crassula groep hebben een geheel ander uiterlijk met hun slanke opgaande vlezige takjes. Een bekend voorbeeld daarvan is:
*Crassula lycopodioides
Men noemt deze plant ook wel het schoenveterplantje. Hij heeft wel een heel opvallend uiterlijk met zijn vele opgaande schijnbaar geschubde takjes.
Het plantje behoeft een lichte warme plek in het groeiseizoen. Om de dag water geven is dan vaak voldoende.
Bij al te felle zon dient de plant wat beschut te worden. In de winter kan hij naar een koelere standplaats en is 1 maal water geven in de 14 dagen voldoende.
De oorsprong van de Crassula soorten ligt veelal in Zuid Afrika.
*Cylindropuntia
Deze groep onderscheidt zich door haar vertakte uiterlijk de vaak dunnige vlezige takken zijn veelal voorzien van vlijmscherpe stekels of doornen.
De stekels zijn omgeven door papierachtige scheden. De kleur van de bloemen hangt samen met de soort.
Ook de aantallen stekels en de kleur ervan willen per soort verschillen. De planten verlangen over het algemeen een warme zonnige omgeving tijdens het groeiseizoen.
Ze dienen op een koele plaats te overwinteren. Veel water hebben ze niet nodig. De oorsprong ligt in Mexico en Noordelijker gebieden.
Ook in Cuba komen veel soorten van nature voor.
*Delosperma
Deze soort omvat een flink aantal zich tot compacte dwergstruikjes en zoden vormende succulente planten, die veelal bestaan uit een massa vlezige takjes en min of meer behaarde dikke blaadjes. Weinige van deze soorten zijn geschikt voor gebruik als kamerplant.
Als gevolg daarvan is het aanbod via de gebruikelijke handelskanalen wat matig. Veelal zult u zelf ergens in uw omgeving een exemplaar op moeten duikelen. Met name de D. echinatum is prima als hangplant te gebruiken. De groeiperiode start in de vroege zomer. Dan kan de plant flink wat licht, lucht en water gebruiken.
Voor dat doel kunt u hem zelfs buiten een plekje gaan geven. Vanaf eind september kan de plant dan weer naar binnen en op een koelere lichte plaats worden gezet. De watergift kan dan drastisch naar beneden. D. echinatum heeft de neiging om het hele jaar door bloempjes te produceren. De kleur is veelal wittig tot geel, maar ook rose en lila-rose tot lila-rode kleueren komen binnen de groep Delosperma voor. Dat hangt dan weer van de soort af. Alle soorten verlangen een goed doorwaterende grond met flink wat steengruis. Geef zo min mogelijk water op de plant. De oorsprong ligt in Zuid Afrika.
*Dolichotele longimamma
Deze plant is een bijzondere soort uit de zogenaamde Mammillariagroep van de Cactussen.
Het zijn vrij zachte planten, die zich kenmerken door de veelheid van lange gestekelde tuberkels en het voortbrengen van relatief grote meest gele bloemen.
De planten zijn door hun zachtheid vatbaar voor spintaantasting. Daartegen dient u geregeld voorbehoedend te spuiten.
De plant verlangt een gewone zanderige cactusgrond met wat steengruis. Het beste kunt u op de grond water geven.
Binnen de groep Mammillaria zijn er ook soorten die witte en andere kleuren bloemen geven. De oorsprong ligt in Texas.
*Echeveria gibbiflora

De Echveria familie herbergt een flink aantal soorten, die oorspronkelijk uit streken in en rond Mexico komen. De meeste soorten vormen mooie bladrozetten met gezwollen waterhoudende blaadjes. De kleur van deze bladeren is vaak opvallend. De meeste planten binnen de Echeveria familie vormen vanuit de de bladrozet lange bloemstelen met flinke opvallende bloemen. De kleur ervan hangt weer nauw samen met de soort. Alle soorten behoeven een goed waterdoorlatende zanderige grond met flink wat steengruis. Ze verlangen flink wat zonlicht en dan vooral in de groeiperiode. Water geven dient bij voorkeur op de grond te gebeuren om rotting in de rozetten te voorkomen. In de winterperiode kunnen ze een koeler maar wel licht plekje te krijgen. Verminder dan de watergift tot een minimum. De Echeveria familie heeft inmiddels vele hybride soorten voortgebracht, die vaak prima groei- en bloei- eigenschappen hebben.
*Echinocactus

Deze cactus familie is afkomstig uit Mexico en Zuidelijk Noord Amerika. De planten vormen al snel een flink rondachtig lichaam. Ze verlangen een zanderige cactusgrond en flink wat steengruis. Daarbij dient de afwatering perfect te zijn gewaarborgd. In de groeiperiode dienen de planten op een lichte en warme plaats te staan. Ze dienen tegen te felle zonnestralen te worden beschermd. Tijdens de groeiperiode is matig water geven van belang. In de rustperiode kunnen ze op een koelere plaats worden gezet. Daarbij dient de watergift ook flink te worden teruggenomen. Alleen als de grond dreigt uit drogen, dient er wat water te worden gegeven.
E. grusonii is een snelle groeier, die daardoor geregeld omgepot dient te worden. Probeer steeds de oude wortelkkluit dan zoveel mogelijk heel te houden.
Op de foto ziet u een wat exemplaren van de E. grusonii Golden Barrel. De groene kleur contrasteert mooi met de vele geelachtige stekels of doornen.
De Echinocactus familie telt vele soorten, die alle zo weer hun eigen uiterlijk hebben. Zo zijn er flink gestekelde, maar ook vrij kale en zelfs behaarde soorten binnen de groep te vinden.
De bloeiwijze is vaak identiek, maar afhankelijk van de soort verschilt de bloemkleur. De verzorging van de soorten is vrijwel identiek. Alleen bij de flink behaarde soorten, dient men extra voorzichtig met de watergift te zijn om rotting te voorkomen.
*Echinofossulocactus

Deze familie van de Cactussen omvat een flink aantal soorten, die alle goede groei-eigenschappen hebben. Bovendien zijn het eenvoudig te houden en te onderhouden planten. De planten hebben veelal een rondachtig lichaam met een geribde structuur. De hoeveelheid ribben, stekels en naalden hangt af van de soort. Ook de bloemkleur varieert afhankelijk van de soort.
Tijdens de groeiperiode verlangen ze een lichte en warme standplaats en relatief veel water. Enige schut tegen te felle zonnestralen is wel nodig. In de rustperiode kan het allemaal wat minder met de watergift en de warmte. De planten verlangen een zanderige grond met flink wat goed verteerde bladaarde en ook flink wat steengruis. De afwatering dient goed verzorgd te zijn. In huis gekweekt worden de planten niet al te groot. Reken op maximaal 10 tot 15 cm. De oorsprong ligt voornamelijk in Mexico.
*Echinomastus

Deze groep omvat een klein aantal Cactussoorten, die veelal een sterk gestekelde rondachtige vorm bezitten. Ze worden niet erg groot en zullen vaak niet groter worden dan 10 cm. Vanwege de oorsprong en groeiwijze kunnen de soorten met weinig water af. Het zijn echte droogkloten om het maar eens populair te zeggen. De grondsamenstelling dient zanderig te zijn met flink wat steengruis. Tijdens de groeiperiode dient u op de grond matig water te geven. De planten houden dan van veel warmte en zon. Gedurende de rustperiode kunnen ze wat koeler maar wel op een lichte plaats te worden gezet. De bloei is vaak identiek en verschilt grotendeels alleen van kleur en is afhankelijk van de soort. De oorsprong ligt in Noordelijk Mexico.
*Echinopsis

De familie Echinopsis is een van oorsprong in Zuid Amerika voorkomende groep Cactussen. Over het algemeen zijn het gemakkelijk kweekbare planten. Ze houden van een zanderige en ook wat humusrijke grond met flink wat steengruis. De planten groeien eerst bolachtig op, maar bij ouderdom hebben ze de neiging te gaan rekken en tot een zuilvorm uit te groeien.
Over het algemeen zijn ze flink met stekels of doornen bedekt. Ze hebben ook vaak een geribd uiterlijk.
Gedurende de groeiperiode verlangen ze een warme en lichte standplaats. De watergift is dan van belang om de groei en bloei te ondersteuen. De planten kunnen dan zelfs wat extra mest gebruiken. De bloemen verschijnen in de nacht en zijn meest trompetvormig. De kleur is afhankelijk van de soort. Tijdens de rustperiode kan de plant op een koelere lichte plek worden geplaatst. De watergift kan dan minimaliseren. Ook al door het succes van de plant als kamerplant zijn er inmiddels talloze hybride vormen gekweekt, die veelal goede groei- en bloei-eigenschappen hebben.
*Epiphyllum

Deze soort planten behoren eigenlijk tot de Epifieten. Ze groeien van nature op daarvoor gunstige takken in de tropische oerwouden van Midden-en Zuid-Amerika. De oorspronkelijke soorten zijn echter nauwelijks meer van belang. Hun functie voor gebruik in huis is veelal door een groot aantal inmiddels gekweekte hybriden overgenomen. Deze hybriden zijn kruisingsvarianten van de oorspronkelijke Epiphyllum soorten met o.a. Heliocereus, Selenicereus en nog wat andere Cactussoorten, die geslachtelijk dicht bij Epiphyllum behoren. Door die kruisingen zijn er soorten ontstaan, die enorm goede bloei-eigenschappen hebben. Zo zijn er soorten met rose, witte, oranje en rode kleuren. Epiphyllum bloeit altijd pas op de minstens tweejarige bladleden.
Om de bloei te bevorderen, dient de plant van november t/m februari een rustperiode te krijgen. Hij dient dan op een koele plek te worden geplaatst of gehangen. De plant mag dan niet gedraaid worden t.o.v. het licht en dat zeker niet tijdens de knopvorming. Ook de watergift dient sterk geremd te worden. Een enkele keer een flinke sproeibeurt is wel aan te bevelen. Daarna volgt de vaak schitterende bloei als alles goed gaat. Na de bloei kan de watergift omhoog en dient de plant te worden bijgemest. Ook kan hij dan worden omgepot. Gebruik daar een goed bemeste cactusgrond met veel bladaarde voor. Ook kan de plant omstreeks mei in de tuin worden geplaatst. Geef hem daar een luwe plaats in de halfschaduw. In september kan de plant dan weer naar binnen.
*Eriocereus

Deze tak van de Cactus familie omvat een diversiteit aan groeivormen. De meeste soorten komen van nature voor in Argentinië. Vrijwel alle soorten behoeven een humusrijke zanderige grond. Tijdens de groeiperiode hebben ze veel warmte, licht en relatief veel vocht nodig. In de rustperiode kan de watergift drastisch terug en kan de plant op een wat koelere plaats staan.
De soorten, die kwa uiterlijk en groeiwijze overeen komen met de Epiphyllum soorten, geldt een ongeveer zelfde methode om de knopvorming en bloei te bevorderen.
Sommige in de vrije natuur voorkomende soorten zijn echt wilde groeiers, die vrij veel slappe en soms zelfs klimmende takken vormen. Andere soorten zoeken het dichter bij de grond en maken een rondachtig tot zuilvormig geribbeld lichaam aan. De meeste soorten vertonen weinig tot geen stekels of doornen aan het lichaam. De bloei speelt zich voornamelijk in de nacht af. Inmiddels heeft deze soort ook zijn stempel gedrukt op een aantal hybride vormen. Ook wordt hij veelvuldig toegepast als onderstam voor wat minder goed groeiende Cactussoorten.
*Espostoa

Deze Cactus famlilie komt oorspronkelijk uit Peru. De planten vormen een wollig behaard en geribbeld zuilvormig plantlichaam. Sommige soorten zijn zo sterk behaard, dat er van een soort pruik gewag kan worden gemaakt. De planten verlangen een zanderige en humusrijke grond. Tijdens de groeiperiode zijn zon, warmte en relatief veel water van belang. Onder puike omstandigheden en vooral pas na enkele jaren kunnen de planten bloemen gaan ontwikkelen, die uit de zijkanten van de zuilen tevoorschijn komen. Daarbij zijn het ook nog eens echte nachtbloeiers.
*Euphorbia bupleurifolia

Deze soort binnen de Succulenten is een wel zeer eigenaardige plant. Hij vormt een verhout rondachtig lichaam. Tijdens de groeiperiode ontstaan op de kop van dat lichaam wat schijnbaar gewone bladeren en later wat kleine bloempjes. Later vallen die delen weer af tijdens de daaropvolgende rustperiode. Deze plant verlangt een goed water doorlatende humusrijke grond en vooral veel warmte en licht tijdens de groeiperiode. In de rustperiode kan de plant vrijwel droog worden gehouden. Een andere vreemde vogel binnen deze groep is de E. caput-medusa.
op zijn ronde plantlichaam ontwikkeld deze soort een aantal min of meer gedraaide vlezige takken of leden. Vandaar ook de naam. De oorsprong ligt in Zuid Afrika.
*Euphorbia grandicornis

De familie Euphorbia kent talrijke leden, die zo hun eigen groeiwijze hebben. De E. grandicornis is daar weer een duidelijk voorbeeld van. Met zijn Cactusachtige en gestekelde opbouw lijkt deze soort wel erg op een echte Cactus. Alleen de bij de Euphorbia bekende melksap en de bloeiwijze verraadt zijn echte afkomst. Hij vormt een flinke vertakte plant met vele platte vaak gestapelde en flink gestekelde leden. De groeiwijze op zich al heeft erg veel decoratieve waarde. De oorprong ligt meest in Zuid Afrika.
*Euphorbia milii (Christusdoorn)

Deze soort is binnen de Euphorbia familie waarschijnlijk het meest bekend voor gebruik in huis. Bijzonder is, dat deze soort het gehele jaar gewoon in de verwarmde kamer kan verblijven.
De plant verlangt een humusrijke zanderige grondsoort. De groeiperiode loopt globaal vanaf het begin van het jaar tot de zomer. De bloemen verschijnen vanaf februari en dat loopt wel een poosje door tot in de zomer. Die bloemen bestaan overigens voor het overgrote deel uit schijnbloemblaadjes, die de echte maar onooglijke bloempjes omgeven. Soms verkleuren de blaadjes van de plant en vallen later af. Het kan zijn, dat hij dan aan wat rust toe is. Geef de plant dan een paar maanden geen of weinig water. Waarschijnlijk zal hij zich daarna weer herstellen. Gedurende de groeiperiode kunt u de plant wat extra bijvoeding geven. De plant geeft de voorkeur aan een warme lichte plaats. De oorsprong ligt in Madagaskar. Inmiddels zijn er vele varianten gekweekt, die alle goede groei- en bloei-eigenschappen hebben. Het grootste verschil zit dan in de blad- en bloemkleur.
*Euphorbia obesa

Zoals eerder vermeld, heeft de Euphorbia veel verschillende uiterlijkheden aangenomen in de loop der tijden. Een bijzondere variant is ook de E. obesa. Oorspronkelijk komt hij uit Zuid Afrika. Stekels of doornen ontbreken vrijwel geheel. De planten worden niet al te groot. Bijzonder is, dat op de top van de bolletjes de voor de Euphorbia kenmerkende blaadjes en bloempjes. De blaadjes verdwijnen veelal al weer snel. De planten verlangen een zonnige en warme standplaats en matig water. In de winter kunnen ze naar een koele standplaats. Dan geen water geven verdient de voorkeur.
*Faucaria

Deze tak van de Cactusfamilie komt van oorsprong uit Zuidelijk Afrika. Hij omvat een flink aantal soorten, die alle hun kenmerkende groei- en bloeiwijze vertonen. De planten verlangen een humusrijke zanderige en goed afwaterende grond. De groeiperiode ligt grotendeels in de zomer. Dan willen de planten graag wat extra water en voedsel. Aan het eind van de zomer produceren de meeste soorten hun kenmerkende bloeiwijze. De kleur van de bloemen hangt af van de soort. Overigens hebben de meeste soorten een leuk decoratief uiterlijk, zodat de bloei niet echt nodig is voor de planten om aantrekkelijk te blijven. Na de bloei kan de plant op een lichte koele plaats worden gezet. De watergift kan dan minimaal worden.
Op de foto ziet u F. tigrina, die van belang is vanwege zijn decoratieve uiterlijk.
*Ferocactus

Deze groep uit de Cactusfamilie vindt zijn oorsprong in Mexico en het Zuidelijk deel van Noord Amerika. Het zijn vrijwel alle rondachtig geribd en traag groeiende planten. Wat ze ook bijna allemaal gemeen hebben, is het dragen van vervaarlijke stekels of doornen. Daar blinken ze vaak echt in uit met hun zelfs soms fraai gekleurde steeksels. Overigens zijn er ook veel varianten, die slechts weinig of geen stekels of doornen hebben. De planten verlangen een zanderige grond met flink wat klei en steengruis. Tijdens de groeiperiode verlangen ze warmte veel zonlicht en wat extra water en voedsel. Tijdens de rustperiode kan de plant de koelere ruimte in en dient de watergift op minimaal te worden gezet. Ze blijven wel veel licht verlangen. In de groeiperiode vertonen sommige exemplaren wellicht hun bloeiwijze. Deze is meest trechtervormig. De bloemkleur hangt samen met de soort.
*Gasteria

De meeste soorten binnen de familie van de Gasteria tak vertonen een vrij bekende groeiwijze binnen de Succulenten. De meest vlezige bladeren groeien in twee tegenover elkaar staande rijen uit, waardoor er een vrij platte plant ontstaat. Overigens zijn er ook varianten, die ook vier of meer bladrijen aanmaken. Het zijn vrijwel alle gemakkelijk groeiende planten, die in de zomer een warme zonnige standplaats en flink wat vocht en voeding willen. U kunt de planten ook met een goed gevoel buiten plaatsen. Eind september kunnen ze daarna een koelere standplaats binnenshuis krijgen. Een temperatuur van omstreeks 10 graden Celcius is dan perfect. De watergift kan dan ook drastisch beperkt worden. Over het algemeen verlangen de Gasteria's en voedingsrijke humusrijke zanderige grond. Gasteria's zijn er in vele soorten en maten. De bloemen verschijnen in slanke trossen. De vorm en kleur hangt af van de soort. De oorprong ligt in Zuidelijk Afrika.
*Glottiphyllum

Deze tak van de Succulenten komt oorspronkelijk uit Zuid- en Zuidwest- Afrika. De geboortegronden zijn zeer arm en droog. Als u thuis dus een exemplaar wilt gaan kweken behandel ze dan ook met armoe. Beter zijn ze niet gewend. De grond dient vooral zanderig, steengruisrijk en steenrijk te zijn. Verder is matig water geven in de groeiperiode van extreem belang. Tijdens de rustperiode dient de watergift vrijwel op te houden. Wat ze verlangen is een zonnige en warme standplaats in de zomer. Overigens dient er wel tegen te felle zon geschermd te worden.
In de rustperiode kunnen ze naar een koelere maar wel lichte plek. De bloei ligt in de periode augustus t/m januari. De bloemen zijn meest geel. Dat hangt dan weer van de variant af.
*Graptopetalum

Deze groep Succulenten vindt zijn oorsprong in Midden en het Zuidelijk deel van Noord Amerika. De planten zijn nauw verwant met de Sedum en Echeveria soorten, die in dezelfde gebieden van nature voorkomen. De planten zijn vrij gemakkelijk te kweken. Het grondmengsel kan bestaan uit een goed potgrond aangevuld met wat klei en zand. Ze verlangen vrij veel water en dan vooral in de zomer. In de winter kunnen ze op een koelere plek geplaatst worden. De watergift dient dan te minimaliseren. U kunt ze echter ook gewoon in de kamer verder kweken. De planten vormen een vlezig vertakkende struik met vlezige bladrozetten. De bladeren hebben een grijswitte kleur, maar in de zon verkleuren ze naar violette kleuren.
De bloemen verschijnen in ijle groeiwijzes. De Graptopetalum hebben middels kruisingen met de Echeveria diverse leuke varianten voortgebracht, die alle goede eigenschappen hebben.
*Gymnocalycium

De familie Gymnocalycium vindt zijn oorsprong in Zuid Amerika. De meeste soorten zijn dankbare planten, die goed houdbaar zijn. Bovendien bloeien ze al in een vrij jong stadium. De planten verlangen een zanderige en humusrijke grond, waarin flink wat steengruis in opgenomen mag worden. De vorm van de afzonderlijke soorten binnen deze groep is geribt rondachtig.
De afzonderlijke ribben vertonen soms een kinachtige vergroeiing. Vandaar ook de naam. De planten verlangen een zonnige en warme plaats in de groeiperiode. Ook verlangen ze vrij veel water. In de winter kunnen ze wat koeler gezet worden en kan de watergift minimaliseren. De meeste soorten produceren vrij forse bloemen in vergelijking tot de grootte van de planten. De kleur van de bloemen verschilt per variant. Er zijn er met groenachtiggele bloemen, maar ook rose en rood komen voor. Binnen deze groep rangschikt men ook de uit Japan komende geënte varianten die onder de naam G. mihanovichii in de handel verschijnen. Het zijn veelal op Heliocereus geënte bijzondere hybride soorten van de Gymnocalycium, die vaak het vermogen missen om zelf te assimileren. Dat doet de onderstam dan. Zo zijn er gele, rode. bijna zwarte etc. hybrides gekweekt op onderstam. Overigens hebben deze planten slechts een beperkte levensduur. Ze zijn wel leuk om eens zelf te proberen. Men noemt deze groep ook wel de Hibotan.
*Haageocereus

Deze tak van de familie van de Cactussen vormt over het algemeen hoog opgaande zuilvormige gestekelde en behaarde planten. De planten verlangen een kleiachtige grond met wat zand en weinig humus. Ze houden van veel warmte en licht. Een plaats in de zon heeft zelfs hun voorkeur. Sommige soorten, die uit de kuststreken komen hebben een meer liggende of kruipende groeiwijze. De oorsprong ligt veelal in Peru. Het zijn over het algemeen nachtbloeiers. De bloemen zijn meest witachtig, groenachtig of rood van kleur. Dat hangt nauw samen met de soort.Tijdens het groeiseizoen kunnen ze wel wat water aan. In de winter dient de watergift te minimaliseren. De planten kunnen wel op een wat warmere en lichte plaats blijven staan.
*Hatiora

Deze familie van de Succulenten komt van oorsprong uit Brazilië. De planten leiden daar in de oerwouden een epifitisch bestaan op de takken van de grote woudreuzen. Ze groeien daar uit tot flinke sterk vertakkende hangende planten. In de huiskamer zal een plant vaak niet veel verder komen dan een opgaande groeiwijze. Vanwege zijn afkomst dient de plant een humusrijk grondmengsel te krijgen. In het groeiseizoen kan hij heel wat water aan. Een plaats in de halfschaduw verdient de voorkeur. In de winter kan het allemaal wat minder. De plant zal na wat jaartjes soms wat kleine bloeiwijzen vertonen. Ondanks de kleinheid is het leuk deze wondertjes der natuur te aanschouwen. Echt een leuke soort om eens zelf te proberen.
*Haworthia

Deze groep Succulenten komt van oorsprong uit Zuid Afrika. Ze behoren eigenlijk tot de Lelieachtige planten. Dat kun je niet zo zien aan de planten zelf. Alleen de bloeiwijze zal de twijfel wegnemen. De planten vormen over het algemeen compacte rozetten met vlezige toegespitste blaadjes. Die blaadjes zijn veelal met witachtige vlekjes overladen. Op de oudere planten ontstaat gemakkelijk jonge rozetjes, die eenvoudig als nieuwe plant voort te kweken zijn. De planten verlangen een kleiachtige zanderige grond met wat humus. Tijdens het groeiseizoen dienen ze op een lichte warme plek te worden gezet. Ze hoeven niet in de zon te staan. Bij hoge temperaturen verlangen ze flink wat water. De planten wortelen vrij ondiep, waardoor ondiepe potten het beste resultaat kunnen geven. In de winter kan de watergift flink omlaag. De planten kunnen dan op een wat koelere plek worden gezet. Sommige soorten maken zogenaamde gestapelde rozetten, die in gedraaide reeksen boven elkaar staan.
*Hoya

De familie Hoya brengt een aantal planten voort, die van oorsprong uit in China en Australië en omstreken komen. De planten hebben over het algemeen een klimmend of hangend karakter. Ze behoren deels tot de Succulenten vanwege hun vettige vlezige blaadjes. Ze verlangen een humusrijke goede potgrond. Uit ervaring blijkt, dat de planten op een venster naar het Oosten het beste gedijen. Hij dient tegen alle te felle zonnestralen te worden beschermd. Zorg er wel voor, dat de plant zeker tijdens en na de knopvorming op dezelfde plek blijft staan.
Draaien is ook uit den boze, want anders zullen de knoppen afvallen. Door de plant regelmatig met lauw warm water te nevelen krijgt u het beste resultaat. Af en toe wat kamerplantenmest geven kan ook geen kwaad. Doe dat niet tijdens de vorming van de bloemknoppen. Als u het goed heeft gedaan, dan beloont de plant u met een reeks in platte schermen staande wasachtige bloemen, die een aromatische geur verspreiden. Van belang zijn o.a. H. bella en H. carnosa. Overigens zullen de meeste soorten in een hangpot het beste tot hun recht komen.
*Huernia

Deze groep uit de Succulenten behoort tot de zogenaamde aasbloemen. De bloemen verspreiden tijdens de bloei voor een aasgeur, waarop aasvliegen vervolgens voor de bestuiving zorgdragen. De planten vormen korte vlezige stammetjes die veelal vierkantig of zeshoekig zijn. De planten verlangen een zanderige humusrijke grond. Geef de planten niet teveel water, want daar hebben ze een hekel aan. Tijdens de groeiperiode verlangen ze een lichte en warme plaats. De vaak vreemd gevormde en gekleurde bloemen verschijnen in de zomer. De kleur en vorm is afhankelijk van de soort. De oorsprong ligt meest in Afrika.
*Kalanchoë beharensis

Deze Vetplant vormt een opgaande plant met vlezige takken en flink grote bladeren, die een viltig behaard en daarmee decoratief uiterlijk hebben. De oorsprong ligt in Madagaskar. Uit dit gebied op aarde stammen een flink aantal soorten, die zo hun eigen uiterlijk hebben. De planten verlangen over het algemeen een goede humusrijke potgrond. Daar doorheen dient wat klei, zand en steengruis te worden gemengd. Tijdens de groeiperiode vragen de planten flink wat water, licht en warmte. In de rustperiode kan de watergift minimaliseren. Teveel water geven in die periode kan tot bladval leiden. Overigens kunnen de meeste soorten in de zomer buiten een plaatsje krijgen. Zet ze daar op een lichte en luwe plek. Eind september moeten ze dan weer naar binnen worden gehaald. De planten hebben vrijwel alle een onopvallende bloei.
*Kalanchoë blossfeldiana

Deze vetplant vormt een compact struikje met vlezige takken en dito bladeren. De bloeiperiode ligt meestal in de maanden februari en maart. De bloemknoppen worden gevormd tijdens de maanden met het minste licht. Kwekers maken vaak gebruik van een kunstmatige extra belichting om de bloei daarmee uit te stellen. De planten verlangen over het algemeen een grondmengsel van goede potgrond met wat klei en zand. Gedurende het groeiseizoen verlangen ze wel wat water. Van belang is, dat ze niet al te warm worden gezet. Een plaats uit de directe zon heeft de voorkeur. Na de bloei dienen de oude bloemtakken te worden weggesnoeid. In de rustperiode kan de watergift flink verminderen. Houdt de grond dan wel vochtig.
Van deze soort zijn er in de handel diverse varieteiten met zo hun eigen uiterlijk en bloemkleur. Deze is meest rood, geel, creme, rose, lila en oranje.
*Kalanchoë tomentosa

Deze soort is eveneens afkomstig uit Madagaskar. De plant vormt een opgaande struik met vlezige takken en vettige, vlezige en behaarde bladeren. Die bladeren hebben aan de uiteinden een roodachtigbruine verkleuring. Door directe zonnestraling treedt die verkleuring steeds meer op. De bloei is niet van groot belang en onooglijk. De plant verlangt een goede potgrond vermengd met wat klei, zand en steengruis. Gedurende de groeiperiode kan hij heel wat water gebruiken. Dan kan hij ook buiten een plaatsje krijgen. Eind september moet de plant dan weer naar binnen. Een koele lichte plaats heeft dan de voorkeur. De watergift kan dan drastisch verminderen.
*Lampranthus

Deze groep onder de Succulenten is van oorsprong afkomstig uit Zuid Afrika. Ze vormen een flink vertakt struikje van vlezige takken en kleine verdikte blaadjes. De planten genieten vooral bekendheid vanwege hun opvallende bloei. De bloemkleur hangt van de soort af en is zeer gevarieerd. De bloemen verschijnen in flinke aantallen. De planten verlangen een goede potgrond met wat klei, zand en steengruis. Ze verlangen flink wat water tijdens het groeiseizoen. Een plaats in de zon verdient de voorkeur. Lampranthus is verwant met het bekende IJskruid. Enige gelijkenis met wat Herfstaster soorten kan in dat opzicht ook vermeld worden. De overeenstemmende bloeiwijzes maken dat duidelijk. In de zomermaanden kunnen de planten desgewenst buiten worden gezet. Begin september moeten ze dan weer naar binnen.
*Leuchtenbergia Principes

De Leuchtenbergia komt van oorsprong uit Mexico. Het is een bijzondere plant in die zin, dat hij onder de Cactussen wordt gerekend maar kwa groeistijl meer overeenkomst vertoont met bijvoorbeeld de Agave soorten. De planten groeien uit tot ongeveer 50 cm bij ouderdom. De onderste bladeren vallen dan steeds af. Zodoende ontstaat er een deels verhout en deels vlezig stammetje. kenmerkend zijn de stekelachtige groeisels aan het einde van de vlezige bladeren. De plant verlangt een zanderige grond met een weinig humus en flink wat steengruis. In de zomer verlangt hij een warme zonnige plek. In de winter kan hij wat koeler worden geplaatst. De plant produceert opvallende gelige bloemen. De plant behoeft over het algemeen weinig water. De grond dient steeds wat vochtig te worden gehouden in de groeiperiode. In de winter is het een echte schraalhans wat water betreft. Hoe minder hoe beter.
*Lithops

Deze groep binnen de Succulenten komt van oorsprong uit de droge streken van Zuid Afrika. De naam duidt aan, dat de plantjes op een steen lijken. Dat is dan ook grotendeels zo en vermoedelijk is het ook de diepere bedoeling achter de evolutionaire totstandkoming van deze plantensoort. Het zijn meest als een dubbel kussentje uitziende plantjes met soms een fraaie tekening, die overigens in de natuurlijke omgeving slechts als camoeflage dient. De twee vlezige waterhoudende blaadjes zijn gescheiden als een siamese tweeling. Tijdens de groeiperiode verschijnen de opmerkelijk grote bloemen vanuit deze spleet tussen de blaadjes. De bloemkleur hangt af van de soort. Na het groeiseizoen verschrompelen de oude blaadjes en trekt de plant zich terug in de grond. Bij het begin van het nieuwe seizoen ontwikkelen zich de nieuwe blaadjes op de oude verschrompelde exemplaren. Om zo de cyclus weer rond te maken. De plantjes verlangen een arme zanderige grond met veel steengruis. Deze grond dient te worden afgedekt met kleinere steentjes om rotting zoveel mogelijk te voorkomen. De plantjes verlangen in het groeiseizoen een weinig water. In de winter kan de kraan helemaal dicht. Let erop, dat u niet de planten maar alleen de grond vochtig maakt, om rotting zoveel mogelijk te voorkomen.
*Lobivia

Deze tak van de Cactus familie komt van oorsprong uit Bolivia. De soortnaam is niet veel meer dan een omzetting van de naam van het land van oorsprong. Je moet er maar op komen. De planten vormen veelal een rondachtig bolvormig lichaam. Sommige vormen willen het echter wel wat hogerop zoeken en groeien dan meer tot een zuil uit. Vrijwel alle soorten zijn flink gestekeld of van doornen voorzien. De meeste soorten vertonen in de zomer een rijke bloei. De kleur hangt van de soort af en is meest gelig, wittig, rose of rood. De planten verlangen een humusrijke zanderige grond en flink wat steengruis. In de groeiperiode kunnen ze wel wat water aan. Tijdens de rustperiode dient de watergift geminimaliseerd te worden. In de groeiperiode verlangen ze een warme licht standplaats. In de winter kunt u ze wat koeler plaatsen. Ze verlangen ook dan veel licht.
*Lophophora

Deze tak van de Cactus familie vindt zijn oorsprong in Mexico en het Zuidelijk deel van Noord Amerika. De planten groeien uit tot bolvormige lichamen, die vrijwel stekelloos door het leven gaan. In de plaats van de stekels of doornen bevinden zich vaak wollige witachtige plukjes op de plant. De bescherming zit hem dit keer dus niet in de stekels of doornen, maar in de enigszins giftige of hallucinerende werking van de plant. De planten groeien vrij traag en bloeien over het algemeen pas na een jaar of 10. Ze maken van nature een lange penwortel aan. Om die reden dient u de plant in een wat diepere pot te plaatsen. In de zomer verlangen ze flink wat water en een zonnige warme plaats. In winter kan hij wat koeler staan op een wel lichte plaats. De watergift kan dan geminimaliseerd worden. Overigens ligt de bloei in de zomer en is niet bijzonder opvallend fraai.
*Mamillopsis senilis

De oosprong van deze Cactussort ligt in Mexico. Daar groeit hij in streken tot wel 3000 meter boven zeennivo. In de winter kan het daar flink koud zijn. Ook een sneeuwdeken is hem dan niet vreemd. U dient daar rekening mee te houden als u een plant gaat kweken. In de winterperiode moeten ze gewoon vrij koud en ook droog worden bewaard anders gaat het mis.
De plant vomt een rondachtig lichaam dat bijna sneeuwwit is behaard. De planten groeien niet al te snel. Na enkele jaren komen in de zomer de mooie bloemen tevoorschijn. Als u geluk heeft tenminste. Mamillopsis is in cultuur wat dat betreft een lastige klant. De bloemkleur hangt af van de variant. Als grond kunt u een mengsel van zand, klei en wat bladaarde of goede potgrond gebruiken. Voeg er ook wat steengruis aan toe.
*Mammillaria

Deze tak van de Cactus familie vindt zijn oorsprong in Midden Amerika en Zuidelijk Noord Amerika. Het zijn gemakkelijk te kweken planten. Veel soorten wortelen vrij diep d.m.v. een penwortel. Houdt daar rekening mee bij het opplanten. Een vrij hoge pot is dan gewenst. Mammillaria is een soortrijk geslacht met wel ruim 300 nakomelingen. de meeste soorten vormen een rondachtig tot kogelrond lichaam. Ook zijn er flink wat soorten die later tot een zuilvorm uitgroeien. Daarbij bezitten ze vele kleine stekels, die vaak ook haarachtig aandoen. Ze verlangen een zanderige grond vermengd met wat humus, klei en steengruis. Tijdens de groeiperiode willen ze flink wat water en ook bijmesten dient dan geregeld plaats te vinden. Tijdens de rustperiode kunnen ze vrij koel en droog worden weggezet. Ze behoeven dan ook vrij veel licht. Dat geldt zeker voor de groeiperiode. Licht, warmte en zon is dan een voorwaarde om de groei en de bloei er in te houden. De meest mooie en vaak talrijke bloemen verschijnen dan veelal in de zomer. De bloemkleur en het uiterlijk ervan hangt af van de soort. De meeste soorten maken vrij snel jonge planten bij de basis van de oude plant aan. U kunt deze al weer snel gebruiken voor een zelfstandige nieuwe plant.
*Melocactus

Deze bijzonder tak van de Cactussen familie komt van oorsprong uit Zuid- en Midden Amerika. De planten vormen traag groeiende geribde rondachtige en bolvormige lichamen. Deze zijn over het algemeen sterk gestekeld. Bij oudere exemplaren vertoont zich voor de bloei en vlezig borstelig vergroeisel op de top van de plant. Men noemt dat deel ook wel het cephalium. Uit dit deel ontwikkelen zicht de bloempjes. In de vrije natuur gebeurt dit proces bij de vooral oudere exemplaren. In cultuur blijkt het een moeilijk tot stand te brengen proces. De planten hebben ook een bijzondere grondsamenstelling nodig. De grond dient luchtig en goed waterdoorlatend te zijn. Daartoe gebruikt men wat zand, steengruis, wat potscherven en een deel kleine grove steentjes. Dan hebt u de helft van de samenstelling te pakken. De andere helft dient te bestaan uit wat zand en flink wat goed potgrond of bladaarde. De planten verlangen tijdens het groeiseizoen een luchtige, lichte, warme en vochtige standplaats. In de winter kunnen ze naar een koelere maar wel lichte plek. De watergift komt er tijdens het groeiseizoen op neer, dat de grond geregeld flink nat dient te worden gehouden. Geregeld nevelen kan dan ook geen kwaad. In de rustperiode dient de watergift te worden geminimaliseerd. Beter is het soms te nevelen. Doe dat nevelen het liefst vroeg in de ochtend, zodat het water de hele dag kan verdampen rond de plant.
*Monvillea

De Monvillea's worden ook wel tot de Cereus Cacussen gerekend. Over het algemeen zijn het flink groot uitgroeiende zuilcactussen. Door het gebruik van een trager groeiende onderstam kunnen de planten ook wel in cultuur worden gehouden. Indien u veel ruimte heeft, dan is een normaal exemplaar echter goed in cultuur te houden. De oorsprong van de soorten ligt veelal in Zuid Amerika. De planten verlangen een normaal grondmengsel met wat zand, steengruis en goed potgrond of bladaarde. Gedurende het groeiseizoen willen ze wel wat water.
Sommige soorten kunnen al vroeg een bloeiwijze vertonen. De bloemen zijn veelal flink groot en rose en wittig van kleur. Er komen echt ook andere kleurvarianten voor. Ze verlangen een warme en lichte plek tijdens de groeiperiode. Schermen tegen al te felle zonnestralen is soms nodig. In de rustperiode kunnen ze wat koeler worden gezet op een lichte plaats. De watergift kan dan drastisch verminderen. Bij de foto's ziet u rechts een exemplaar van de M. spegazzinii.
*Myrtillocactus geometrizans

Deze Cactus soort komt van oorsprong uit Guatemala en Mexico. De planten kunnen vrij hoog worden in de vrije natuur. In cultuur is het allemaal wat minder. De vorm is voornamelijk geribd zuilvormig. Kenmerkend is de de geringe bedoorning en de blauwgroene kleur. De planten verlangen een lichte en beschutte plaats tegen al te felle zon. Ze kunnen tijdens de groeiperiode flink wat water aan. In de rustperiode kunnen ze op een koelere plek worden gezet en dient de watergift te minimaliseren. In cultuur komen de planten haast nooit tot bloei.
Over het algemeen verlangen de planten een vochthoudende goed afwaterende potgrond. Voeg er wat klei, zand en steengruis aan toe.
*Neoporteria

De Neoporteria soorten komen van oorsprong uit Chili en Argentinië. De planten vormen in jong stadium een rondachtig tot bolachtig lichaam. Aan stekels en doornen hebben ze daarbij geen gebrek. Bij het ouder worden zoeken de meeste soorten het hogerop en vormen dan een zuilachtig lichaam. De planten verlangen een humusrijke zanderige grond met wat klei en steengruis. Tijdens de groeiperiode staan ze het liefst op een warme lichte standplaats. Dan kunnen ze ook wel wat water aan. De bloei is leuk om te zien. Vooral bij de sterk gestekelde exemplaren moeten de bloemen tussen de vele stekels of doornen doorpriemen om hun volledige schoonheid te tonen. De bloemkleur hangt nauw samen met de soort. Veel voor de huiskamer gekweekte planten zijn op een onderstam van bijvoorbeeld Eriocereus jusbertii geënt. Dat geeft een wat doelmatiger groei. In de rustperiode kunnen de planten naar een wat koelere en lichte plaats. De watergift kan dan drastisch omlaag.
*Nopalxochia

Deze Succulentensoort behoort tot de epifitische planten. Dat houdt in, dat de plant een vooral humusrijk grondmengsel dient te krijgen. De oorsprong ligt in Mexico en Guatemala.
De planten vormen een massa doornloze eerst opgaande en later hangendevlezige takken en vooral bladeren. De kleur is bleekgroen in een jong stadium. Door het zonlicht verkleuren ze veeal tot roodachtig groen. De planten verlangen een lichte warme plaats tijdens de groeiperiode. Enige schut tegen de directe zonnestralen is gewenst. De plant vraagt dan vrij veel water. In de rustperiode kan de watergift wat omlaag maar zeker nooit stoppen. Ze mogen dan ook niet te koud worden weggezet. Probeer tijdens de knopvorming de plant zo min mogelijk te verplaatsen. De planten zijn befaamd vanwege hun lang goedblijvende mooie bloemen. Door hybridisering en kruisingen met vooral Epiphyllum zijn er inmiddels diverse soorten gekweekt met noch grotere bloemen dan normaal. De kleur van de bloemen hangt nauw samen met de soort. Dit is zeker een plant, die in je collectie moet voorkomen.
*Notocactus

Deze groep uit de Cactus familie komt van oorsprong uit Zuid Amerika. Ze verlangen vrijwel allemaal een humusrijke zanderige grond met wat steengruis. Over het algemeen vormen ze een rondachtig tot zuilvormig lichaam, dat vaak sterk geprononceerd met stekels of doornen is bedekt. Tijdens de groeiperiode verlangen ze een warme en lichte plaats en matig water.
Ze dienen tegen al te felle zon beschermd te worden. In de winter kunnen ze wat koeler staan. Houdt echt een temperatuur van boven de 12 graden Celcius aan. De watergift kan dan minimaliseren. Veel soorten geven mooie vaak geelachtige en vooral flink grote bloemen. Overigens zijn er ook soorten met wat andere bloemkleuren, zoals rose, oranje, rood, wit etc.
Daarnaast hebben de gelig gestekelde soorten extra decoratieve waarde.
*Opuntia

De herkomst van de Opuntia Cactussen ligt deels in Zuid Amerika tot aan het Zuidelijke deel van Noord Amerika.. Men noemt deze soort ook wel schijfcactussen. Kenmerkend zijn de vlezige platronde schijven van zowel het hoofdlichaam als de leden. Daarbij zijn ze licht gestekeld. Een enkele soort maakt naast platte schijven ook cilindervormige leden aan. De planten verlangen over het algemeen een voedzame grond met zand, wat klei en steengruis. Tijdens de groeiperiode vragen ze flink wat water, warmte en licht. In de rustperiode kunnen ze naar een droge en koele plaats. Een bewaartemperatuur van rond de 10 graden Celcius is prima. De watergift kan dan minimaliseren. De in de zomer verschijnende bloemen zijn naast groot ook vaak mooi te noemen. De kleur hangt af van de soort.
*Oreocereus

Binnen deze tak van de Cactus familie bevinden zich een aantal soorten die prima voor de kweek in huis geschikt zijn. De oorsprong ligt in Zuid Amerika en dan met name uit streken van het Andesgebergte. De planten vormen rondachtige en vaak opgaande plantlichamen, die sterk gestekeld zijn. De planten verlangen een humusrijke zanderige grond met flink wat steengruis en klei. Tijdens de groeiperiode verlangen ze een warme en lichte standplaats overdag. Vanwege hun afkomst dient de nachttemperatuur aanmerkelijk lager te zijn, maar dat zal in de praktijk een al te groot bezwaar zijn vanwege het vele gesleep. In de groeiperiode verlangen ze redelijk wat water. Tijdens de rustperiode kunnen ze op een koele licht plaats worden gezet. De watergift kan dan minimaal worden. De meeste soorten geven bloemen op de top van de plant. De bloemkleur hangt af van de soort. Overigens is de bloei niet bijster opvallend.
*Oroya

Deze Cactus soort komt van oorsprong uit de hoogvlaktes van Peru. In die omgeving is hij gewend om zowel warmte als koude te overleven. Daarmee dient bij de kweek in huis rekening te worden gehouden. De planten verlangen een humusrijke zanderige grond met flink wat steengruis en kleine steentjes. Tijdens de groeipriode vragen ze vrij veel warmte en licht overdag. In de nacht kan het wat koeler zijn. Dat geldt ook voor de winterperiode. Dan behoeft de plant ook maar weinig water. Tijdens de groei dient de watergift geregeld te worden uitgevoerd. In dit verband is de O. peruviana van belang. Het is een sterke plant, die gemakkelijk in bloei trekt. Overigens maken de meeste soorten een rondachtig lichaam aan, dat regelmatig van stekels of doornen is voorzien. De bloemkleur hangt af van de soort.
*Oscularia deltoides

Deze succulente plant komt van oorsprong uit Zuid Afrika. De meeste exemplaren worden veelal als hangplant gekweekt. Daar is de plant vanwege zijn sterk vertakkende vermogen uitstekend voor geschikt. De planten verlangen een humusrijke en deels zanderige grond met wat steengruis. Tijdens de groeiperiode verlangen ze veel licht en warmte en flink wat water.
In de rustperiode kan het allemaal wat koeler en droger. Dat zoveel mogelijk droog houden bevordert de latere groei en bloei weer. De plant is gemakkelijk te stekken in wat zanderige grond.
*Pachyphytum oviferum

De familie Pachyphytum stamt van oorsprong uit Mexico. Het geslacht omvat een flink aantal compact groeiende succulente planten, die deels naaktbladig en deels gestekeld zijn.
P. oviforum is een naaktbladige soort, die met zijn gezwollen en vlezige blaadjes een dankbare plant is voor de kweek bij u thuis. De plant verlangt een humusrijke zanderige grond met wat steengruis. Gedurende de groeiperiode verlangt hij een warme lichte plaats vlak tegen een venster. Wat schermen tegen al te felle zon is noodzajkelijk. De plant verlangt dan een geregelde watergift. In de winter kan hij naar een koele lichte plaats. De watergift kan dan drastisch naar beneden. In de zomer willen er wel eens roodgekleurde bloeiwijzes ontstaan, maar de plant moet het daar niet van hebben om aantrekkelijk te blijven.
*Pachyveria hybrides

Zijn de alom aanwezige Succulenten al een meesterlijk aanpassing aan de natuurlijke omstandigheden. De natuur gaat soms nog een stapje verder. Veelal is de mens ook wel beried om de natuur een handje te helpen. Uit kruisingen tussen de Pachyveria en de Echeveria zijn vele plantsoorten met een fraai uiterlijk en goede groei-eigenschappen ontstaan. Men noemt die groep wel de Pachyveria hybrides. Met hetzelfde recht zou je denk ik Echepachy hybrides kunnen zeggen. De behandeling komt overeen met het geschrevene onder Echeveria en Pachyphytum.
*Parodia

Deze Cactus soort omvat een flink aantal bolvormig of cilindervormig groeiende planten. Kenmerkend zijn de enorme aantallen vaak haakvormige stekels of doornen danwel haren op de plantlichamen. De planten komen van oorsprong uit Zuid Amerika. Ze verlangen een kalkrijke en humusrijke grond. Daar doorheen dient een kwart deel steengruis en rivierzand te worden gemengd. Dat is een aardige basisgrond voor de meeste soorten. De grond dient goed afwaterend te zijn omdat anders de groeibasis gemakkelijk zou gaan rotten. Tijdens de groeiperiode verlangen ze een warme licht plek. Houd ze zoveel mogelijk uit de directe zonnestralen. In de winter kunnen ze op een lichte niet te koude plaats overleven. Dan dient u de watergift te minimaliseren.
De bloei van de Parodia ligt in de zomer. Sommige soorten zullen al na 3 jaar hun mooie bloemen vertonen. De bloemkleur hangt af van de soort.
*Pelecyphora aselliformis

Deze Cactus groep is bekend vanwege zijn bijzondere uiterlijk, die soms rondom deels wat van en groot aantal omgekeerde pissebedden heeft. Ze vormen veelal een rondachtig stekelloos lichaam. De planten groeien vrij traag en behoeven ook niet al te veel water tijdens de groeiperiode. Ze hebben de voorkeur aan een zeer lichte zonnige standplaats. De planten verlangen een goede humusrijke potgrond. Voeg daaraan een kwart deel zand toe. Tijdens de groeiperiode vindt de leuke bloei plaats. De bloempjes steken fraai af tegen de kalige achtergrond van de plantlichamen. P. aselliformis heeft dan wel een bijzondere vorm. Binnen deze groep zijn er meer bijzondere soorten kwa uiterlijk aan te wijzen. Wat ze veelal gemeen hebben, is het feit dat ze vrij klein blijven. De bloemkleur hangt af van de soort. De oorsprong ligt meest in Mexico.
*Pereskia

Deze bijzonder soort onder de Succulenten wordt gerekend als een van de mogelijke voorouders van de Succulenten. Ze mogen er dan wel niet als een Succulent uitzien, maar genetisch gezien komen veel soorten van de huidige Cactussen wel overeen, want de P. aculeata wordt dankbaar gebruikt als onderstam voor bijvoorbeeld veel Epyphyllum soorten. De planten vormen opgaande bedoornde takken. Bij ouderdom kunnen ze uitgroeien tot heuse struiken en zelfs bomen. De bladeren staan vaak paarsgewijs of trapsgewijs op de takken en hebben een wasachtig uiterlijk. De planten verlangen een humusrijke goed waterhoudende grond. Voeg er wel wat zand aan toe. Tijdens de groeiperiode dienen ze goed van water te worden voorzien. In de rustperiode kan het allemaal wat minder. De oorsprong ligt in West-Indië en Centraal Amerika. De bloei ligt in de maanden juli t/m oktober. De bloemen verschijnen in schermen op de plant. De kleur hangt af van de soort. Als de plant in huis wat te snel groeit dan kunt u hem gewoon terug- en vormsnoeien. Doe dat liefst aan het einde van de groeiperiode.
*Pereskiopsis porteri

Dit is ook weer een bijzondere loot van de Succulenten familie. De planten vormen opgaande vlezige takken met kleine afstaande half hangende vettige blaadjes. De takjes zijn voorzien van onaanzienlijke doorntjes. Wat bijzonder aan de planten is, dat ze nauw verwant zijn aan de Opuntia's. Op de toppen van de Pereskiopsis laat men wel traag groeiende zaailingen van verwante soorten groeien. Deze bijzonder enting heeft meestal al na een paar dagen een succesvol vervolg als de zaailingen zijn gezet en de groei kan beginnen. Vaak maken de zaailingen dan al weer snel nevenplanten die ook weer als solitair opgekweekt kunnen worden. Op zich zijn het gemakkelijke planten. Ze verlangen een humusrijke goed vochthoudende grond. Voeg er wel wat zand aan toe. Een warme lichte plaats heeft de voorkeur. Geef de plant tijdens de groeiperiode flink wat water. Tijdens de groeiperiode vormen zich de veelal roodachtige leuke bloemen, die veel op die van de Opuntia soorten lijken. In de winter dient de plant niet te koud worden gezet. De watergift kan wel drastisch naar beneden. Overigens zijn er meer leden in de Pereskiopsis familie. De meeste soorten hebben een ongeveer identieke groeiwijze en vragen een identieke behandeling. De bloemkleur hangt af van de soort. De oorsprong ligt meest in Mexico, Honduras, het Zuidelijk deel van Noord Amerika en Guatemala.
*Pleiospilos

Deze familie van de Succulenten komt van oorsprong uit Zuid Afrika. De planten leven daar onder bijzonder moeilijke omstandigheden. Men rangschikt deze soort ook wel onder de ultra-succulenten. De vele in het gebied aanwezige soorten hebben zich aangepast aan de langdurige droge periodes. Veel soorten bestaan slecht uit twee of wat meer bladeren, die veeal bolvormig zijn. Hierdoor is de verdamping minimaal. Sommige soorten hebben wat meer en dan wat uitgespreide blaadjes. De planten lijken in vorm en kleur veel op de stenen uit hun omgeving, zodat ze vaak nauwelijks opvallen. De meest bloemen verschijnen in de nazomer. De vorm en de kleur hangt af van de soort. De planten verlangen een zanderige, steenachtige grond met een weinig humus. Tijdens de groeiperiode en dan spreken we over mei en juni willen ze wel wat water opnemen. Ze verlangen dan ook een warme en lichte plaats. Daarna dient de watergift steeds verder te verminderen. In de winter kunnen ze op een wat koelere lichte plaats en vooral droog worden weggezet. Dek de grond het liefst af met kleine steentjes.
*Pyrrhocactus

Deze kleine groep uit de Cactus familie komt oorspronkelijk uit Argentinië. De planten vormen bolvormige en sterk gestekelde lichamen. Ze groeien vrij traag en vormen slechts moeizaam een sterk wortelgestel, dat bovendien flink temperatuurgevoelig is. In de winter mogen de planten daarom niet te koel worden geplaatst. Het beste resultaat zal verkregen worden met een geënt exemplaar op een beter groeiende onderstam. De planten verlangen een humusrijke en zanderige potgrond, maar vooral veel steengruis. Tijdens de groeiperiode verlangen ze een warme lichte plaats en matig water. Zoals gesteld dient de temperatuur in de winter ook hoog te blijven. Geef dan ook minimaal water. De bloei is best interessant. De bloemkleur hangt af van de soort. Het verdient aanbeveling de grond met kleine keitjes te bedekken.
*Rebutia

De Cactus familie Rebutia komt van oorsprong uit Argentinië en Bolivia. De planten groeien daar op grote hoogtes van vaak duizenden meters boven de zeespiegel. Ze leven daar onder vrij extreme omstandigheden. Het is er vaak warm maar evenzo flink koud tijdens de nachten en dan vooral in de winterperiode. Bij de kweek in huis dient u daar rekening mee te houden tijdens de winterperiode. Geef ze dan een lichte plek met een temperatuur van ongeveer 6 graden Celcius. Tijdens het groeiseizoen kunnen ze wel wat warmte en licht gebruiken. Ze dienen tegen al te felle zon te worden beschermd. De planten verlangen een steenachtige zanderige grond met wat steengruis. De grond kan het beste met wat kleine steentjes worden afgedekt.
Ze vragen redelijk wat water tijdens het groeiseizoen. In de winter kan de watergift geminimaliseerd worden. De planten vormen rondachtige of bolvormige lichamen, die flink bestekeld zijn. De vele bloemen verschijnen in de zomer. Vaak van onderuit het plantlichaam. De kleuren zijn afhankelijk van de soort.
*Rhipsalidopsis

Deze groep van de Cactus familie noemt men ook wel lidcactussen. Er zijn verschillende oorspronkelijke soorten en inmiddels al vele hybriden van deze Cactusgroep te vermelden. Alle zijn het gemakkelijk groeiende en te onderhouden planten die een epifitische achtergond hebben. Overigens worden veel soorten voor de handel gekweekt op een onderstam van bijvoorbeeld Pereskia of Erocereus, waardoor ze nog beter en groter uitgroeien. Vanwege hun oorsprong geven de planten een voorkeur aan een humusrijke vochthoudende grondsoort.
Ze verlangen een warme en lichte plaats tijdens de groeiperiode. Ook verlangen ze vrij veel water in die periode. De bloei ligt in de maanden april en mei. Veel exemplaren zullen echter afhankelijk van de omstandigheden een ander bloeimoment aanhouden. De bloei is aantrekkelijk en omvangrijk. De kleur van de bloemen hangt af van de soort. Na de bloei kunnen de planten buiten in de tuin een plaatsje krijgen zo u dat wenst. Daar kunnen ze dan wat aansterken voor het nieuwe groeiseizoen. In september kunnen ze dan weer naar binnen naar een lichte en relatief koele plaats. Om de knopzetting niet te verstoren dien ze zoveel mogelijk op dezelfde plaats te blijven staan. Ze verlangen dan ook een weinig water. De oorsprong ligt in Zuid Amerika.
*Rhipsalis

Deze tak uit de Cactus familie stamt uit de oerwoud gebieden van Zuid Amerika. Het is een epifitische groeiende soort, die lange hangende smalle of bredere bladleden aanmaakt. De planten verlangen een humusrijke en vochthoudende grond. In de groeiperiode verlangen ze een warme niet te zonnige standplaats en flink wat water. In de winter kan het wat koeler en met weinig water af. Let er steeds op, dat de grond niet uitdroogt. De bloei in de is zomer leuk en vrij massaal. De bloempjes zijn vrij klein en niet al te opvallend. De bloemkleur hangt van de soort af. Leuk is wel de besvorming bij sommige soorten na de bloei.
*Rochea

Deze Cactus soort komt van oorsprong uit Zuid Afrika. De plant vormt flink wat vlezige opgaande takken, die gekransd door vlezige blaadjes zijn omgeven. De bloemen komen in schermen op de top van de takken tevoorschijn. Om de bloei te bevorderen dienen de planten in de winter vrij koel te worden weggezet, 5 tot 6 graden Celcius is prima. In die periode dienen ze ook minimaal water te krijgen. Tijdens het groeiseizoen kan de watergift wat omhoog. Ze willen dan ook een warme en lichte plaats. Als grondmengsel kunt u een zanderige en steengruishoudend mengsel en wat humus aanhouden. De grond dient zowel goed waterhoudend als afwaterend te zijn.
*Sansevieria

De familie van de Sansevieria heeft heel wat leden. Het is een overbekende plantensoort, die bij veel huisgezinnen op de vensterbank een plaatsje heeft gevonden. De planten zijn vrij gemakkelijk te onderhouden en te houden met relatief weinig moeite. De oorsprong ligt in Zuid Afrika. De planten verlangen een humusrijke zanderige grond met wat klei en steengruis.
In de groeiperiode willen ze veel licht en warmte. Een plaats in de zon is af te raden, omdat teveel verkleuring veroorzaakt. Ze kunnen dan heel wat water aan. In de rustperiode kan het allemaal wat minder met het water. Ze blijven dan wel een lichte plaats verlangen. Oudere exemplaren kunnen soms in bloei trekken. De bloemen zijn niet al te opvallend en een aromatische geur afgeven. De bloemkleur hangt van de soort af.
Overigens worden de planten veelal alleen gehouden vanwege hun decoratieve blad en uiterlijk.
*Sedum

Het geslacht Sedum kent in de wereld talrijke nakomelingen. Zelfs in Nederland hebben diverse soorten een goede standplaats gevonden. Deze familie behorend tot de Vetplanten komt overigens vrijwel overal in de wereld van nature voor. Het is een sterk geslacht planten, dat zich aan vele natuurlijke omstandigheden heeft aangepast. Naast de natuurlijke verschijning zijn er soorten, die zich bij uitstek lenen voor een gebruik thuis op de vensterbank of binnen een Succulenten verzameling. De meeste van die soorten komen van oorsprong uit de warmere gebieden op aarde. De planten verlangen veelal een zanderige grond vermengd met humus, steengruis en wat klei. Is u dat allemaal teveel, dan kunt u ook gewoon een goede potgrond gebruiken, die met wat zand kan worden verschraald. Van belang voor de kweek in huis zijn bijvoorbeeld S. pachyphyll